Bij alle cultuurvolken werd een deel van hun eredienst geheim gehouden en de priesters die, naast het vervullen van hun godsdienstige taak, vaak de enige waren, die de wijsbegeerte en de wetenschappen beoefende, deelde ook hun zorgvuldig behoede kennis niet aan de massa van het volk mede. Hetzelfde verschijnsel zien wij tegenwoordig nog bij verschillende primitieve volken, maar dat betekend natuurlijk niet, dat de oude volken, die geheime riten bezaten, op hetzelfde beschavingspeil stonden als de tegenwoordige ongecultiveerde volksstammen, een gevolgtrekking, die men maar al te vlug geneigd is te maken. De onjuistheid ervan blijkt echter al direct, als wij de cultuurhoogte der oude volken, zoals Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Kelten, en Germanen, vergelijken met die der tegenwoordige primitieven.

Nog meer springt de onjuistheid in het oog , als wij bedenken, dat de te midden van ons wonende vrijmetselaren eveneens geheime ritten bezitten, en niemand zal wel willen beweren, dat deze cultureel op een lager peil staan dan hun omgeving.
De geheim gehouden riten en kennis duidden de oude Grieken met "Mysteria" aan en daarvan is ons "Mysteriën" afkomstig. Het woord "mysteria" treffen wij het eerst aan in de Atheense wetten, die betrekking hadden op de Eleusinische mysteriën en uit omstreeks 460 v. Chr. afkomstig zijn, en vervolgens bij de omstreeks 484 v. Chr. geboren Herodotus van Halikarnassos, de "vader der geschiedenis", die het gebruikte in verband met de mysteriën van Samothrake.
Voor de geheime riten werden echter ook andere woorden gebruikt, teletai (wijdingen) en orgia (handelingen) en deze vinden wij reeds in de Demeterhymne, die uit de zevende of zesde eeuw v. Chr. afkomstig is. Teletai vinden wij het eerst bij Hesiodos (frgmt. 29, blz 211, ed, Goettling) waar het betrekking heeft op de Dionysische mysteriën.
Uit deze gegevens is op te maken, dat het woord oorspronkelijk blijkbaar alleen betrekking had op godsdienstige riten, waar inwijdingen het hoofdbestandsdeel van uitmaakten. Over de afkomst van het woord bestaat al verschil van mening, maar over het algemeen leidt men het af van de wortel "mu", die de betekenis zou hebben van "sluiten" (en dan gebruikt zou zijn ivm. het sluiten der ogen of der lippen, handelingen, die met de inwijdingen samenhingen). Geleidelijk kreeg het woord echter een meer omvattende betekenis en vermoedelijk was het al zeer spoedig, dat men er ook de "geheime leringen" der priesters onder verstond en dan voorts alles, wat verder nog tot het geheim gehouden deel der erediensten behoorde. Tenslotte werden er zelfs openbare riten mee aangeduid, die min of meer met de geheime diensten samenhingen. Het woord werd ook door de christenen overgenomen en als de kerkvaders over "mysteriën" spraken, dan bedoelde zij daarmede bepaalde onderdelen van het christelijke geloof, die het verstand niet bevatten kon of die om bepaalde reden voor niet-christenen geheim gehouden werden. In ons taalgebruik heeft het woord de nog veel ruimere betekenis gekregen van "geheimen", "raadsels", "iets onbegrijpelijks" ed. in de ruimste zin.

Dionysos masker, Louvre
Het woord "mysteria" treffen wij in de oudheid uiteraard het meest bij de Griekse schrijvers aan en daarnaast in de eerste plaats bij de Romeinen. Het kon zowel betrekking hebben op mysteriën in eigen land als op uitheemse, al bestonden niet in alle landen dezelfde mysterievormen. Egypte was vermaard om zijn geheime priesterwijsheid en vele Grieken togen daarheen om deze deelachtig te worden. Maar toen Strabon, de omstreeks 60 v. Chr. geboren aarderijkskundige uit Amasis in Pontos, in Heliopolis kwam, kon men hem alleen nog de woningen wijzen, waar vroeger de wijsgeren en astronomen gewoond hadden; zij zelf waren echter verdwenen. Alleen in Thebe trof hij er nog aan. De Babylonische priesters bezaten blijkbaar ook geheim gehouden kennis, waaronder vooral geneeskunde en voorts de astronomie en astrologie een grote rol speelden. De latere Perzische magiërs hebben aan hen vermoedelijk een deel van hun kennis ontleend. Bij de Grieken schijnen de priesters de kennis van bepaalde zaken eveneens geheim gehouden te hebben. Rechtstreekse bericht hierover hebben wij niet, maar bij Loukianos, de omstreeks 120 geboren Griekse schrijver, lezen wij, dat de "leugenprofeet" Alexander, die de mysteriën nabootste en zichzelf daarbij een priesterlijke waardigheid toekende, zich ook met orakels en met het genezen van zieken bezig hield, blijkbaar in overeenstemming met hetgeen de erkende priesters verrichten. bij de Kelten, waar de druïde het opschrijven van hun leringen verboden, bezaten deze volgens Caesar geheime kennis van "de loop der sterren", de grootte van de wereld en de aarde, van de natuur der dingen en van de macht der onsterfelijke goden.
Verder over de Egyptische mysteriën schrijvende, bedoelen de oude schrijvers daar in de eerste plaats bepaalde riten mede, die verband hielden met het in de betreffende mythe vast gelegde mysteriedrama van Osiris en die ten aanschouwe van een kleine kring bevoorrechten werden vervuld. Maar ook de zgn. koningsriten, waaronder die van de vergoddelijking van de koning, als mede de andere in besloten kring uitgevoerde priesterriten werden tot de mysteriën gerekend en hetzelfde was het geval met de pas in later tijd --- vooral door het verslag van de in het jaar 130 geboren Romeinse rhetor en satyricus Apuleius, die zijn inwijding beschreef --- bekend geworden Egyptische inwijdingsmysteriën. ook de begrafenisriten, die door de priesters werden uitgevoerd, behoorden, hoewel daarbij ook door de nabestaanden bepaalde handelingen werden verricht, tot op zekere hoogte tot de mysteriën en tenslotte werden sommige openbare rite, die verwantschap vertoonden met de geheime ceremoniën, ook wel met de naam mysteriën aangeduid.

Kleitablet met daarop een schrijfoefening zuid-Irak; ca. 2200 v.Chr.
Omtrent de Babylonische mysteriën is niet veel bekend en hun bestaan moeten wij hoofdzakelijk uit indirecte gegevens opmaken. De genoemde priesterkennis viel er onder en vermoedelijk ook inwijdingsriten. Dit vermoeden wordt versterkt door het voorkomen van dergelijke riten in Syrië, die ons als Adonis-mysteriën uit Griekse bron zijn overgeleverd en die, naar wij mogen aannemen, aan de Babylonische Tammuz-mysteriën zijn ontleend. De openbare Syrische riten, die er mee samenhingen, werden echter door de Grieken ook met Mysteriën aangeduid. Bij de Phrygische mysteriën, waarin de godin Kybele en de god Attis de hoofdrol speelden, wordt door de oude schrijvers eveneens nauwelijks onderscheid gemaakt tussen de openbare eredienst en de inwijdingsriten, die blijkbaar in nauw verband daarmede voltrokken werden. Zowel het één als de ander werd met de naam mysteriën aangeduid. Hetzelfde was het geval met de Thrakomstige mysteriën van Sabazios en de uit deze landen afkomstige mysteriën van Dionysos, alsmede met de eveneens daaraan ontlede Samothrakische mysteriën der "grote goden". Ook bij de verwante Thebaanse Kaberoi-mysteriën, waarbij openbare eredienst en inwijdingsriten nauw samenhingen, werd het geheel met de naam mysteriën aangeduid.
Bij de Griekse mysteriën van Eleusis was dit eveneens het geval, maar de naam Mithrasmysteriën werd hoofdzakelijk voor de Perzische inwijdingsriten gebruikt. Tenslotte zullen ook wij hetzelfde woord gebruiken voor de Keltische en Germaanse inwijdingsriten, die aan de Grieken en Romeinen onbekend waren, maar die naar de aard en vorm geheel met die, welke wij uit Zuid-Europa kennen, overeen kwamen.
Dit alles in aanmerking nemende, dienen wij ons, als de oude schrijvers over mysteriën berichten, dus steeds af te vragen, wat zij in ieder afzonderlijk geval daaronder verstonden. Dit is vooral nodig, omdat men tegenwoordig bij het spreken over de oude mysteriën veelal in de eerste plaats of zelfs uitsluitend het oog heeft op de inwijdingsriten, de enige vorm der mysteriën, die men in de meeste gevallen kent. Dit heeft ten gevolge, dat men iedere mededeling over mysteriën daarop betrekt, wat, naar uit het bovenstaande blijkt, allerminst juist is.
Wij hebben hierboven gezegd, dat de naam "Mysteriën" zaken aanduidt, die geheim gehouden werden of althans met geheim gehouden riten verband hielden. In de mededelingen der oude schrijvers vinden wij daarvoor tal van bevestigingen. Over de Egyptische mysteriën schrijvende en, naar uit zijn bericht valt op te maken, doelende op geheime ceremoniën, zegt de reeds genoemde Herodotos: "aan dit meer stellen zij des nachts het lijden van de god voor en zij noemen dat de Egyptische mysteriën; intussen moet daarover, hoewel ik er velerlei van weet, het stilzwijgen betracht worden. Ook over het feest van Demeter (de Griekse interpretatie, die Herodotos voor de Egyptische Isis gebruikt) moet ik zwijgen en kan ik slechts zeggen, wat geoorloofd is. Herodotos is hier zo voorzichtig, dat hij zelfs de naam Osiris --- want om deze god gaat het, naar wij uit zijn bericht kunnen opmaken --- niet noemt.
De in dezelfde tijd als Herodotos levende Euripides, één der drie grootse dramaturgen van het oude Griekenland, zinspeelt eveneens op geheimhouding, in dit geval ten aanzien van de Dionysische mysteriën, als hij in zijn Bakchantenfeest koning Pentheus de vraag laat stellen: "Welke zin heeft dit feest?" en dan Dionysos laat antwoorden: "voor niet-ingewijden blijft deze altijd vreemd". Iets later schreef de Griekse filosoof Lysis van Tarentum (geb 390 v. Chr.) over de wijsbegeerte, die hij met mysteriën vergelijkt. Hij stelde daarbij vast, dat de wijsbegeerte niet aan de eerste en beste geopenbaard werd, evenmin als de mysteriën aan de profanen werden medegedeeld.
Enige eeuwen lang horen wij dan, om later nog te bespreken redenen, niet veel over de mysteriën en dus ook weinig over de geheimhouding, die daarbij in acht genomen moest worden, maar als wij er dan weer over gaan lezen, is deze geheimhouding nog altijd een belangrijk punt. De in de eerste eeuw v. Chr. op Sicilië levende Griekse geschiedschrijver Diodoros bericht ons over verschillende mysteriën en zegt dan oa. dat de mysteriën slechts in het geheim werden medegedeeld. Omtrent de mysteriën van Samothrake zegt hij, dat niemand, behalve de ingewijden, daar iets van wist. Ook in het algemeen over mysteriën sprekende vertelt hij, dat het niet geoorloofd was om niet-ingewijden nauwkeurige mededelingen te doen.

Apollon (opera Garnier)
Ploutarchos (van 40 tot 120), die zelf priester van Apollon in Delphoi en in verschillende mysteriën ingewijd was, schrijft in zijn boek "over Isis en Osiris" ook over de Egyptische mysteriën en zegt dan aan het slot: "zoveel moet men zeggen van alles, wat gesluierd is in de mysteriën, van alles wat geheim gehouden wordt bij de inwijding en van alles, wat verborgen gehouden wordt voor de ogen der menigte". Hij laat daaraan echter wel enige bijzonderheden over de mysteriën voorafgaan, wat in overeenstemming was met de algemene opvatting, dat niet alles, wat de mysteriën betrof, geheim gehouden behoefde te worden. De geheimhouding had vooral betrekking op de verborgen kennis der priesters, de uitgevoerde riten, de tekst der heilige formules, de getoonde heilige voorwerpen en soms op de naam van de godheid. Daarentegen was het blijkbaar wel geoorloofd een samenvatting van de cultische mythe te vertellen, waarvan de bijzonderheden echter alleen voor ingewijden bestemd waren. Geheim waren evenmin de verwachting ten aanzien van het hiernamaals, die men aan de inwijdingen vastknoopte, maar wel de wijze, waarop deze verwachting in de riten werden opgewekt. Als reden voor de geheimhouding wordt in het algemeen de bijzondere heiligheid der mysteriën genoemd, die men verre moest houden van de ogen der profanen. Strabon meent zelfs dat het verbergen der heilige handelingen de godheid eerwaardiger maakte. Hij ziet daarin blijkbaar de voornaamste reden voor die geheimhouding en andere schrijvers noemen soortgelijke motieven.
Uit de tweede eeuw onzer jaartelling bezitten wij over deze geheimhouding nog een duidelijke aanwijzing van Pausanias, die over de door hem gemaakte tochten een tiental boeken schreef, welke hij daarom "rondreis" noemde. Hij spreekt daarin ook over de inwijdingen van Eleusis en zegt dan: "wat binnen de muren van het heiligdom plaats greep, verbood de droom mij neer te schrijven, want het spreekt vanzelf, dat niet-ingewijden datgene, wat hun niet veroorloofd is te zien, ook niet ervaren mogen". Hij gaat zelfs nog verder, want elders in hetzelfde werk zegt hij, sprekende over de korybanten, de volgelingen van de Phrygische Kybele, die een rol speelden bij de Attis-mysteriën, dat hij de hun betreffende sagen opzettelijk verzwijgt. Voordat de mysteriën aan de kandidaten werden medegedeeld, resp. voor zij de riten bijwoonden of doormaakte, werd vermoedelijk een eed van geheimhouding geëist en Cumont meent in een tamelijk verminkte Griekse papyrus de tekst gevonden te hebben van de eed, die de ingewijden bij hun opneming in de Mithras-mysteriën moesten afleggen: ".... ik zweer .. ... te bewaren ( de geheimen van) de mysteriën, die mij zijn overgebracht (door) Vader Serapion .. ... de heilige heraut Ka (utaupates, op wie die taak) rust en door mijn eveneens (ingewijde) broeders".
De geheimhouding is zelfs eens de aanleiding tot of althans het voorwendsel voor een oorlog geweest, want hiertoe heeft een schending daarvan geleid. De in 59 v. Chr. geboren Romeinse geschiedschrijver Livius deelt ons nl. mede dat Philippos van Makedonië, vader van Alexander de grote, de Atheners om de volgende reden de oorlog verklaarde: "twee jongelingen uit Akarnanië (het meest westelijke deel van Griekenland) hadden tijdens de feesten van Eleusis, zonder ingewijd te zijn en onbekend met de godsdienstige gebruiken, in het gedrang der menigte de tempel van Ceres (de Romeinse naam voor Demeter) betreden. Hun taal verried hen gemakkelijk, omdat zij enige dwaze vragen stelden; zij werden voor de bestuurders van de tempel gebracht en. hoewel duidelijk bleek dat zij uit vergissing de tempel betreden hadden, ter dood gebracht".
Niet alleen de tempelpriesters zorgden voor het bewaren der geheimen, maar zij werden daar, waar de mysteriën een staatsinstelling waren, hierin door de regering gesteund. Zo is het bijv. bekend, dat Aischylos, de oudste Griekse treurspeldichter, (geb. 525 v. Chr.) aangeklaagd werd, omdat hij in zijn stukken mysteriegeheimen zou hebben geopenbaard. Nu hadden verschillende van de drama's van Aischylos betrekking op de Dionysische mysteriën en zijn bassarai, Kabeiroi, Hedonoi en Pentheus werden bij de Dionysos-feesten te Athene opgevoerd. Het was dus vermoedelijk hierin, dat hij mysteriegeheimen te berde had gebracht en zijn kennis omtrent deze zaken had hij waarschijnlijk op zijn reis naar Thrakië opgedaan. Hij kon zijn onschuld bewijzen door aan te tonen, dat hij in het geheel niet ingewijd was.

Tempel van Cerres
Niet alleen behoede de staat zorgvuldig de geheimhouding der mysteriën, maar hij zorgde er ook voor, dat deze instellingen niet werden bespot. Naar Ploutarchos meedeelt, werd Alkibiades, Grieks staatsman en veldheer (geb. omstreeks 450 v. Chr.), door Thessalos uit Lakia aangeklaagd wegens beledigingen van de godinnen Demeter en Persephone, omdat hij de inwijdingsceremoniën nagebootst en te zijne huize voor zijn vrienden vertoond had. Daarbij zou hij een gewaad gedragen hebben, zoals de hogepriester dit droeg als hij de heilige voorwerpen toonde, en zichzelf "hogepriester" genoemd hebben, Polyton "fakkeldrager", Theodoros "heraut" en zijn andere vrienden "gelovigen" (ingewijden in de kleine mysteriën) en "ingewijden" (in de grote mysteriën). dit alles was in strijd met de voorschriften zoals de priesters van Eleusis die hadden uitgevaardigd. Alkibiades werd bij verstek ter dood veroordeeld, waarbij zijn vermogen geconfisqueerd werd, en zijn vrienden werden terecht gesteld. Blijkbaar vond men een dergelijk optreden algemeen zeer ongehoord, want Pausanias, die ruim 500 jaren later leefde, deelde mee, dat men hem, bij zijn bezoek aan Athene, nog het huis toonde, waar het wangedrag van Alkibiades had plaats gevonden.
Spotternijen werden ook veel later nog niet geduld en Diogenes Laertios, Griekse schrijver uit het begin der derde eeuw, deelt het volgende mede over de "atheïst" Theodorost, die zich tegenover de hierophant Eurikleides een overigens meer flauwe dan kwaadwillige grap veroorlooft had. Toen hij eens bij de hogepriester vertoefde, zeide hij tot deze: "zeg mij, Eurikleides, wie zijn misdadigers tegen de heiligheid der mysteriën?" Op het antwoord: "diegene, die de geheimen aan niet-ingewijden verraden" merkte Theodoros op: "Dus ook gij begaat een misdaad, als ge er (bij de inwijding) met niet-ingewijde over spreekt?" De hogepriester ontstak hierover in toorn en de grappemaker ontkwam ternauwernood aan het gevaar voor het gerechtshof van de areopagos gedaagd te worden, waarvoor slechts de invloedrijke Demetrios Phalereus hem wist te behoeden.
Natuurlijk was het ook niet geoorloofd zich op ontoelaatbare wijze van de geheimen der mysteriën op de hoogte te stellen en volgens Boitische overleveringen zouden, naar de neoplatonische filosoof synesios (+/- 370 - 425) ons meedeelt, degene, die zich in de geheime riten van Dionysos wilde indringen en deze bespioneerden, vroeger aan stukken gescheurd zijn. Deze overlevering hing waarschijnlijk samen het hetgeen in het drama "Penteus" van Euripides vermeld wordt, waar deze koning, als straf voor zijn nieuwsgierigheid, door bakchanten werd verscheurd.

Pentheus torn apart by Agave and Ino,Louvre
Op geheimhouding wijst ook, dat ons enige formules zijn overgeleverd, die blijkbaar toegang tot bepaalde riten verleenden, maar daarnaast ook een herkenningsmiddel voor de ingewijden onderling waren. Wij zullen die bij de verschillende mysterieriten nog nader bespreken. Ook hadden de ingewijden bepaalde tekens, waarmede zij zich als zodanig konden kenbaar maken. In één van zijn toneelstukken laat Titus Maccino Plautus (geb. omstreeks 253 v. Chr.), zeggen: "geef mij het teken, als ge een ingewijde van Bacchus zijt". Het ging hier blijkbaar om een ander herkenningsmiddel dan een formule. Ook uit de woorden van Apuleius is iets dergelijks op te maken. Hij was aangeklaagd van toverij en in zijn overgeleverde apologie verdedigd hij zich tegen deze verdachtmaking. Als het dan gaat om een bevestiging, die alleen een in mysteriën ingewijde zou kunnen geven, zegt hij: "als er soms iemand is, die dezelfde plechtigheden heeft doorgemaakt als ik, laat hij dan het teken geven"en dan kunnen zijn aanklagers de verklaringen van getuigen horen. "want", laat Apuleius er op volgen, "ik laat mij nooit, door welk gevaar ook, er toe dwingen, datgene, wat ik onder het zegel van geheimhouding ontvangen heb, te verraden".
De verplichting tot geheimhouding, die de mysteriën omringde, bleef tot de opheffing dezer instellingen, en dus nog vrij lang in christelijke tijd voortbestaan, wat ook door verschillende christelijke kerkvaders bevestigd wordt. Titus Flavius Clemens van Alexandrië, die in het jaar 200 overleed ---- zijn geboorte jaar is niet bekend ---- was voor zijn bekering een heidens filosoof en naar gezegd werd, in verschillende mysteriën ingewijd. hij heeft het in zijn werken herhaaldelijk over de mysteriën en ook over de geheimhouding daarvan. Zo zegt hij, dat de Egyptenaren hun mysteriën, waarmee hij kennelijk de geheime leringen bedoelt, "niet aan de eerste de beste toevertrouwden en dat zij aan de profanen niet de kennis der goddelijke dingen openbaarden, maar alleen aan hen, die eens de troon zouden bestijgen en van de priesters alleen aan hen, die door levensopvatting en afkomst als de besten golden". Niettegenstaande hij als prediker van het christendom het heidendom bestreed, had hij voor de mysteriën nog wel eens een goed woord over, want elders in hetzelfde werk zegt hij, duidende op mysterieriten: "degene die de mysteriën instelden, verborgen als wijsgeren hun leringen in mythen. Voorkwamen zij niet, door (op die wijze) menselijke dingen te sluieren, dat onwetende ze toepaste, en was het niet zegenrijker voor de heiligen en gezegende de overpeinzing der waarheden verborgen te houden?"
Hippolytos, de kerkvader uit het einde der tweede en het begin der derde eeuw, schreef "weerlegging van alle ketterijen" en had het daarin ook over Naässeners, één der genostieke sekten. volgens hen zouden de Egyptenaren, "die na de Phyrygiërs de oudste mensen zijn en die, zoals bekend, het eerst aan andere mensen alle riten en erediensten en ideeën en krachten" hadden medegedeeld, "de heilige, eerwaardige en aan niet-ingewijden niet mede te delen mysteriën van Isis"bezeten hebben. Gregorius Nazianzenus een Grieks kerkvader (geb. omstreeks 330), stelt de geheimhouding, die de heidenen ten aanzien van hun mysteriën betrachten, zelfs de christenen ten voorbeeld en in een in 380 uitgesproken rede vermaant hij hen "het niet uit te sprekene niet aan het oor der profanen prijs te geven" en zich niet te laten beschamen door de demonen vereerders, "die eerder hun bloed dan, waar het bepaalde dingen betreft, hun woorden de niet-ingewijden iets zouden meedelen".
Ook de omstreeks 340 geboren kerkelijke leraar Arnobius de oude zegt, dat de mysteriën slechts aan enkelen bekend gemaakt werden. Hoewel de kerkvaders in hun beschouwingen over de mysteriën zich niet hebben toegelegd op objectiviteit, en veelal verschillende mysteriën dooreenmengen, ontvangen wij toch uit hetgeen zij mededelen vaal aanwijzingen, die ons helpen bij het vormen van een beeld omtrent de oude mysteriën. Zo lezen wij bij Firmicus Maternus, die in 347 een geschrift publiceerde, "over de Dwalingen der heidense Godsdiensten", waarin hij de keizers uitnodigde een einde te maken aan de overblijfselen van het heidendom, over het bestaan van herkenningsmiddelen, waar hij zegt: "wij willen nu uiteenzetten, aan welke tekens en zinnebeelden de ellendige mensenbende zich bij haar bijgelovige samenkomsten herkent. Zij hebben nl. eigen tekens, eigen woorden, die hun bij deze schandelijke bijeenkomsten de school van de duvel geleerd heeft." Jammer genoeg beschrijft hij de tekens niet, maar geeft alleen enkel formules, die wij bij de mysteriën van Attis en van Eleusis zullen bespreken.

Attis
Het is te begrijpen, dat, gezien de bestaande zwijgplicht de oude schrijvers van datgene, wat niet medegedeeld mocht worden, weinig of niks zeggen. En als zij er iets over meedelen, dan is dat nog in zulke duistere woorden vervat, dat alleen bijzondere omstandigheden ons er iets van laten begrijpen. Zo lezen wij bijv. bij de reeds genoemde Apuleius, als hij zegt mede te zullen delen, wat hij bij zijn inwijding doormaakte, het volgende: "Misschien vraagt ge nu thans nieuwsgierig, goedgunstige lezer, wat nu gesproken en gedaan is,. Hoe gaarne zou ik het u zeggen, als ik het zeggen mocht! Hoe heilig zoudt ge het ervaren, als het geoorloofd was! Maar tong en oor zouden even zwaar voor het vergrijp moeten boeten. Maar het zou u kunnen schaden, als ik uw vrome nieuwsgierigheid zo op de pijnbank legde; hoor dus en geloof, vertrouw, het is waarachtig. Ik ging tot aan de grens van de dood en nadat ik de drempel van Proserpina (de godin van de onderwereld) betreden had, keerde ik, door alle elementen heen gedragen terug ; te middernacht zag ik de zon van wit licht flonkeren, ik kwam van aangezicht tot aangezicht voor de onderaardse en bovenaardse Goden en aanbad hen vanuit naaste nabijheid! Ziet! nu hebt ge alles gehoord; maar ook begrepen? Onmogelijk!"
Toch heeft Apuleius met deze woorden aan ons meer verraden dan aan zijn land- en tijdgenoten en wij komen op zijn mededelingen dan ook uitvoerig terug. Niet alleen horen wij niet veel van de heidense schrijvers, maar ook de christelijke tonen op enkele uitzonderingen na een opmerkelijke terughoudenheid. Dit alles is des te opvallender, omdat er onder hen waarschijnlijk verschillende waren, die voor hun bekering tot de ingewijde behoorden, en zij in ieder geval met vele bekeringen in aanraking moeten zijn gekomen, die eens ingewijden in de heidense mysteriën waren geweest! Slechts bij uitzondering echter horen wij van hen iets, dat ons enige opheldering geeft.
Toen de mysteriën geestelijk op hun hoogtepunt stonden, werd de geheimhouding, naar wij mogen aannemen, het strengste gehandhaafd. Maar in de loop der tijden kwamen verschillende mysteriën min of meer in verval; de eisen voor toelating werden minder streng, de toeloop werd groter en uit deze schijnbare bloeitijd, waarin de riten vermoedelijk ook minder streng in acht genomen werden, bereikten ons zelfs berichten over ontaarding, die met allerlei uitspattingen gepaard gingen, zoals bijv. de reeds genoemde Livius ons over de Bacchische (Dionysische) mysteriën in Rome meedeelt. Maar het verwonderlijke is, dat zelfs in deze vervaltijd de geheimhouding, die de ingewijden ook toen nog wel zal zijn opgelegd, zo goed bewaar gebleven is. Dit zou bij het grote aantal, vaak blindelings toegelaten deelnemers een waar wonder zijn, indien hetgeen geheim gehouden moets worden alleen of in hoofdzaak de vorm zou hebben gehad, van een in begrippen vervat en verder in woorden medegedeeld onderricht. Dit was echter zoals wij nog zullen zien, niet het geval.
bron: De mysteriën der oudheid en hun inwijdingsriten F.E. Farwerck, uitg. Thule 1960






