Quo Fata Ferunt! QFF! Die ECHTE Illuminati shit... Welkom in de Hel! - complotten, ufo's, karma, illuminati, nonsens, wetenschap, kennis en verlichting! QFF
Aanpassen Registreren Inloggen
BROEDERSCHAPPEN (60)
Orde van het Gulden Vlies
Zo vlak voor het echte weekend begint besloot ik zojuist om toch de digitale griffel maar weer in de hand te nemen en even te gaan werken aan een interessant stukje over de Orde van het Gulden Vlies. Deze orde trok vanmiddag mijn aandacht tijdens een speurtocht naar meer informatie over een andere orde. Nadat ik vanmiddag las over de Orde van het Gulden Vlies besloot ik de pagina waarop de informatie over de Orde van het Gulden Vlies stond te bookmarken, om er vervolgens later op de avond (nu dus) op terug te komen om er wat over te tikken in de vorm van dit artikel hier op QFF...
Deze orde trok mijn aandacht vanwege de symboliek omtrent de orde en haar leden... Voor het gemak neem ik U even mee naar de inhoud van de Nederlandstalige Wikipedia pagina over de Orde van het Gulden Vlies, leest U even mee...????
De Orde van het Gulden Vlies (Frans: Ordre de la Toison d'Or, Duits: Orden vom Goldenen Vlies) is een exclusieve ridderorde. De leden worden vliesridders of toisonisten genoemd, zij behoren allen tot de hoogste Europese adel.
Geschiedenis
Ontstaan - de Orde onder de hertogen van Valois
De Orde werd op 10 januari 1430 in Brugge ingesteld door Filips de Goede, hertog van Bourgondië, bij gelegenheid van zijn huwelijk met Isabella van Portugal. Met de instelling van deze orde wilde Filips de Goede verschillende doelen bereiken. Ten eerste gaf het zijn dynastie meer aanzien om aan het hoofd te staan van zo'n exclusieve orde. Ten tweede was het een manier voor de hertog en de adellijke elite om de banden aan te halen en invloed op elkaars beslissingen uit te oefenen. De orde had dus ook een politieke functie. De Orde werd erkend door de paus en geniet pauselijke privileges. Een van de voorrechten van de ridders in deze orde is dat zij van de paus het recht hebben gekregen om in hun slaapkamer een mis te laten opdragen. Dit voorrecht delen zij met hoge geestelijken en katholieke vorsten.
Bij de oprichting van de Orde bestond ze uit vierentwintig ridders vier officieren: een schatbewaarder, een wapenmeester, een kanselier en een griffier, met aan het hoofd de hertog van Bourgondië. Het aantal ridders werd in 1433 uitgebreid naar dertig. Leden waren lid voor de rest van hun leven en konden alleen worden gedwongen om hun lidmaatschap weer in te leveren als zij de statuten (de regels) van de Orde hadden geschonden.
De leden van de Orde kwamen regelmatig bijeen op zogenaamde kapittel-bijeenkomsten. De locatie van deze bijeenkomsten verschilde, maar werd vaak in steden gelegen in de Zuidelijke Nederlanden gehouden. Tijdens de regeerperiode van Filips de Goede kwam dit neer op 11 bijeenkomsten, en tijdens de regeerperiode van Karel de Stoute, die hem opvolgde als hoofd van de Orde, werden er twee bijeenkomsten gehouden. Deze kapittel-bijeenkomsten duurden meerdere dagen. Gedurende deze dagen waren er een aantal vaste elementen. Zo werden nieuwe leden gekozen als er plaatsen waren vrijgekomen wegens het overlijden van een lid. Ook werden er missen opgedragen voor de overleden leden. Daarnaast konden leden verschillende zaken inbrengen die met de Orde te maken hadden. Leden hadden ook het recht de hertog te adviseren over militaire en staatszaken.
De Orde onder het huis van Habsburg
Het hoofd van de Orde waren de opeenvolgende erfgenamen van de hertog. Dus na de dood van Filips de Goede in 1467, volgde zijn zoon Karel de Stoute (1467-1477) hem op, waarna de Orde overging naar de Habsburgers door het huwelijk van de enige dochter van Karel de Stoute, Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk (1477-1519).
In 1516 werd het aantal ridders in de Orde uitgebreid naar vijftig leden.
De pauselijke privileges, toegekend door de bul van paus Leo X, tonen aan dat deze Orde in feite als een religieuze gemeenschap werd beschouwd. De vergaderingen moesten plaats hebben in een kerk, waarbij de leden van de Orde een gereserveerde plaats hadden in het koorgestoelte – plaatsen anders voorbehouden aan de clerus. Hierdoor vindt men in verschillende kerken de wapenschilden van de ridders van de Orde in het koorgestoelte (Gent, Brugge, Mechelen, Barcelona en Den Haag).
Karel V heeft de ridders slechts eenmaal tijdens zijn lange regering bijeengeroepen voor een kapittel. Dat werd in Barcelona gehouden. Karel liet de titel van grootmeester na aan zijn zoon Filips II. Maar ook Karels broer, Ferdinand, die na de abdicatie van Karel V keizer werd, eigende zich het recht toe om ridders in deze orde te benoemen.
De vliesridders waren niet onderworpen aan de wereldlijke rechtsmacht, maar aan het eigen gerecht van de Orde. Tijdens de regering van Filips II werd deze bepaling genegeerd. De veroordeling in 1568 door de "Bloedraad" en de daaropvolgende terechtstelling van de graven van Egmond en Hoorne, beiden ridder van het Gulden Vlies en dus onschendbaar, was immers in strijd met deze bepalingen. Er werden in de daaropvolgende jaren geen kapittelvergaderingen meer gehouden om koning Filips II de schande te besparen hiervoor ter verantwoording geroepen te worden. De gerechtelijke moord op de twee vliesridders belandde in de doofpot.
Tijdens de Spaanse Successieoorlog in de 18e eeuw, ontstond naast de Spaanse tak ook een Oostenrijkse tak van de Orde. De Spaanse en Oostenrijkse kanselarijen correspondeerden vruchteloos over deze kwestie totdat in 1700 met de dood van Karel II de Spaanse Habsburgers uitstierven.
Filips van Anjou, kleinzoon van Lodewijk XIV van Frankrijk, uit het Huis Bourbon, die in 1700 als Filips V koning van Spanje werd, noemde zich, zonder dat hij daar een overtuigend recht op kon doen gelden, grootmeester van deze orde. Oostenrijk protesteerde tevergeefs.
De laatste Habsburgse keizer stierf in 1766. Zijn dochter, keizerin Maria Theresia, erfde van haar vader niet alleen zijn grondgebied maar ook de zeggenschap over de Orde. Het Huis Habsburg-Lotharingen erfde aldus de titel met de Oostenrijkse landen en de Oostenrijkse Nederlanden.
Franse Revolutie
De schat van de Orde was eeuwenlang in Brussel bewaard maar moest in 1794 voor de oprukkende Franse troepen worden gered. De schat werd in Wenen ondergebracht.
Jozef Bonaparte, Napoleons oudere broer, zag zich als koning van Spanje al Grootmeester van deze Orde. Hij verleende het Gulden Vlies aan zijn broers Napoleon Bonaparte en Lodewijk Napoleon Bonaparte, koning van Holland.
Keizer Napoleon heeft op zijn beurt een "Orde van de Drie Gulden Vliezen" willen instellen. De keuze van de naam van deze orde wees erop dat hij een derde orde wilde instellen, hoger in rang dan de Spaanse of Oostenrijkse tak. Deze orde is niet tot bloei gekomen door het protest van de Légion d'honneur, dat niet op de tweede plaats wilde komen.
In 1815 speelde koning Willem I der Nederlanden met de gedachte om het Gulden Vlies in zijn rijk, dat grotendeels de landen van de Bourgondische hertogen omvatte, als een Nederlandse tak van de Orde in te stellen. Daar kwam niets van, waarschijnlijk omdat 's konings oudste zoon al ridder in de Spaanse Orde was. Nederland zou daarmee ook de Habsburgers voor het hoofd hebben gestoten.
Negentiende en twintigste eeuw
Karel IV van Spanje nam in 1805 koning Lodewijk Napoleon Bonaparte van Holland op in het Spaanse Gulden Vlies.
Zonder recht daartoe te bezitten nam Joseph Bonaparte met de Spaanse troon ook de Orde van het Gulden Vlies in bezit. Hij benoemde vijf Spanjaarden in de orde; het ging om Manuel José de Negrete, duque de Campo Alange; Diego López Pacheco, duque de Frías; Carlo-Canuto-Sebastiano Ferrero Fieschi, príncipe de Masserano; Gonzalo O’Farrill en Miguel de la Grúa Talamanca, marqués de Branciforte.
Na de restauratie (het herstel van de monarchie van de Spaanse Bourbons) in 1813 zag men de Spaanse tak van de Orde van het Gulden Vlies als een civiele ridderorde die ook kon worden verleend aan protestanten zoals de Hertog van Wellington, koning George IV van het Verenigd Koninkrijk en de Prins van Oranje, de latere koning Willem II.
In 1814 en 1816 volgden de prins van Oranje en koning Willem I. De latere koning Willem III werd in 1842 ridder en zijn zoon de prins van Oranje in 1863.
In 1924 werd ook prins Hendrik ridder van het Gulden Vlies. De protestantse Belgische koning Leopold I werd in 1835 in het Spaanse Gulden Vlies opgenomen. Al deze protestantse vorsten konden niet toetreden tot het Oostenrijkse Gulden Vlies.
Na de abdicatie van koning Alfons XIII in 1931 was de Spaanse tak van de Orde jarenlang een zelden verleende Huisorde van de Spaanse koningsfamilie, totdat de monarchie met Juan Carlos weer hersteld werd in 1975. De Spaanse koning verleende de Orde van het Gulden Vlies de afgelopen jaren aan vooraanstaande Spaanse edelen, goede vrienden en bevriende staatshoofden. Keizer Akihito van Japan liet de zware gouden keten in zijn Madrileense hotelkamer liggen. De keten, die bij het overlijden van een ridder terug moet worden gebracht naar Spanje, is sindsdien zoek.
De Oostenrijkse tak van de Orde bleef steeds het exclusieve bezit van het hoofd van het Huis Habsburg en houdt zich, tot op heden, aan de oude statuten. De laatste keizer, Karel I, nam in 1918 de kostbare gouden ordetekenen mee in ballingschap en gaf ze in bewaring aan zijn Zwitserse advocaat. Maar deze verduisterde het goud en verdween. De "Ordensschatz" bleef achter in Wenen. De belangrijkste stukken worden bewaard in de "Weltliche Schatzkammer" in het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waaronder het "Schwurkreuz", het kruis waarop pasbenoemde ridders de eed aflegden.
De Oostenrijkse tak is eeuwenlang geregeld in kapittel bijeengekomen en ook nu nog vinden plechtige bijeenkomsten van de Orde plaats. Karel van Habsburg-Lotharingen is "Hoofd en Soeverein" van de Orde. Koning Juan Carlos I van Spanje is "Soeverein".
Versierselen
Het symbool van de Orde is een klein gouden ramsvacht met kop en poten, door een ring gehaald, hangend aan een gouden keten, waarvan de 52 schakels het Bourgondische vuurslagmotief vertonen. De naam van de orde verwijst waarschijnlijk naar de Griekse mythologie. Een gulden vlies komt voor in de sage van Jason en de Argonauten die het Gulden Vlies moesten bemachtigen, een gouden ramsvacht. Het is onduidelijk waarom Filips de Goede niet voor een meer gebruikelijk bijbels thema of voor een heilige koos toen hij de naam en het kleinood van zijn Ridderorde vaststelde. Er zijn achteraf meerdere verklaringen gegeven. Het gulden vlies zou suggereren dat de Bourgondische dynastie afstamde van de Trojanen en er is, eveneens achteraf, ook een bijbelse verwijzing gevonden in het Oude Testament.
De eerste kanselier van de Orde, Jean Germain, bisschop van Chalons verwees naar een passage in Richteren waar Gideon een ramshuid op de grond moest leggen en de daarop verzamelde dauw een teken Gods betekende voor zijn uitverkiezing. Deze passage, Richteren 6:37 wordt gelezen als een aankondiging van de geboorte van Christus.
De tweede kanselier, Willem de Fillastre verwees naar de vijf andere ramshuiden waarvan in het Oude Testament sprake is. Een andere, meer politieke, verklaring voor deze naam is het feit dat Filips de Goede (Jason) zijn belangrijkste leenmannen (de Argonauten) in een klein gezelschap plaatste waardoor deze zich belangrijker voelden dan de andere leenmannen, die niet in de orde zaten. Zo voorkwam Filips de Goede dat zijn leenmannen in opstand kwamen en hield hij de personele unie bij elkaar.
In de 15e eeuw werd het Gulden Vlies aan een zware keten van geschakelde vuurslagen gedragen. De ridders werden geacht hun keten altijd te dragen. Omdat dat onpraktisch was, stond Karel V hen in 1516 toe om ook een lichtere keten of een zijden band te gebruiken. In de 16e eeuw koos men bij minder formele gelegenheden voor lichtere ketenen van kleine ronde schakels.
In de 18e eeuw werd het gulden vlies steeds vaker samen met de vuurslag en een steen met geëmailleerde vlammen aan een rood lint om de hals of op de borst gedragen. Deze draagwijze werd al snel de norm aan de Europese hoven, en de keten en de habijt raakten in onbruik. De keten werd alleen nog bij de verlening gebruikt. Op de blauwe gesp van het halssieraad stond nu "PRETIVUM LABORVM" en "NON VILE" geschreven wat "als beloning voor prestaties" en "niet te koop" betekent. De adelsgemeenschap was nu ook een "Orde van verdienste" geworden.
In de 18e eeuw werden de halssieraden, die privébezit waren en niet zoals de keten na de dood van een Ridder teruggegeven moesten worden, vaak in strijd met het reglement met diamanten en robijnen versierd.
De door Filips de Goede ingevoerde ordekleding bestond uit een rode mantel. De hoofdbedekking was in de eerste jaren niet uniform, maar Karel de Stoute verordende een rode "chaperon", een baret met een lange huik. Er was ook een zwart rouwgewaad.
In de late 18e en vroege 19e eeuw raakte het ornaat in onbruik. De vroege 19e eeuw zag een korte opleving van het gebruik, maar na 1830 werd het kostuum ook aan het Weense hof niet meer gezien. Er waren geen investuren en feestelijke maaltijden meer en alleen de Oostenrijkse Keizers lieten zich nog in de mantel afbeelden.
De Orde van het Gulden Vlies in de Koninkrijken der Nederlanden en België
De Nederlandse "Vader des Vaderlands", Willem van Oranje en andere vorsten uit de Huizen Chalon, Nassau en Breda waren ridders van het Gulden Vlies. De protestantse stadhouders kwamen niet in aanmerking voor benoeming in de tot 1805 strikt katholieke orden (in Spanje en Oostenrijk) van het Gulden Vlies. Tijdens het Spaanse en Oostenrijkse bestuur over de Zuidelijke Nederlanden werden de aldaar wonende hoge katholieke edelen wel opgenomen in zowel de Spaanse als de Oostenrijkse tak van de Orde.
De Franse Revolutie bracht een scheiding van Kerk en Staat en Napoleons oudere broer Jozef Bonaparte maakte van de Spaanse Orde van het Gulden Vlies een orde van verdienste die ook aan protestanten kon worden toegekend. Eén van hen was Willem, prins van Oranje, de latere koning Willem II. Ook koning Willem III, prins Hendrik en koningin Beatrix zijn in de Spaanse Orde opgenomen.
De Belgische koninklijke familie
In de Belgische koninklijke familie waren en zijn veel ketens aanwezig; drie koningen en een aartshertog kregen de Oostenrijkse keten. Drie koningen en prins Filips kregen de Spaanse keten. Leopold I was enkel een Spaans vliesridder, de koning was een protestant.
De Belgische koning Leopold II droeg net zoals zijn schoonbroer Maximiliaan van Oostenrijk het Spaanse Vlies. Zijn broer, de graaf van Vlaanderen, bezat de keten in de Spaanse tak. Ook zijn neef Albert I droeg het Oostenrijkse Gulden Vlies, terwijl diens zoon Leopold de Spaanse keten kreeg in 1923.
De Belgische koning Albert II is ridder in zowel het Spaanse als het Oostenrijkse Gulden Vlies, zijn schoonzoon aartshertog Lorenz is als Habsburger enkel in het bezit van de Oostenrijkse tak.
Zijn voorganger Boudewijn was ridder in de Spaanse afdeling, hun schoonbroer groothertog Jan van Luxemburg is ook ridder in de beide takken. Boudewijn was een van drie door Juan de Borbón, troonpretendent en graaf van Barcelona in de Spaanse orde opgenomen ridders.
De vuurslag van het Gulden Vlies en het Kruis van Bourgondië zijn terug te vinden in de Nederlandse Militaire Willems-Orde (1815) en de Belgische Decoration Civique (1867). Ook in België is enige malen overwogen om de Orde van het Gulden Vlies als Belgische Orde in te stellen.
De Orde van het Gulden Vlies in Georgië
Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie heeft Georgië een Orde van het Gulden Vlies ingesteld. Het versiersel van de Orde van het Gulden Vlies van Georgië lijkt niet op de oude Habsburgse orde. Georgië wordt door historici genoemd als het land Colchis waar Jason het gulden vlies roofde.
Tja, een interessante club dus, en daarom ook wat aandacht voor deze orde... Jieronder in de comments kan het wat mij betreft verder...
Shriners - A.A.O.N.M.S.
Na de Jesters, komen de Shriners, of ook wel de Oude Arabische Orde van Nobelen van het Mystieke Heiligdom, Afgekort; A.A.O.N.M.S. Een apart clubje dudes... Alhoewel, wat is apart? Ze zijn ooit daar verder gegaan waar het voor enkelen van hun ophield. Ze wilden meer en ze wilden het anders toen ze besloten dit broederschap op te richten...
Maar wat is het voor een broederschap? Wat is dit voor een clubje? Wie gaan er schuil achter deze gasten met die gekke hoedjes? Leest U even mee...???
De, van oorsprong Amerikaanse, Shriners zijn vooral bekend door hun kleurrijke parades, circussen en clowns.
Oorspronkelijk, in 1872, opgericht met als doel een gezelligheidsvereniging voor vrijmetselaars te zijn, is het uitgegroeid tot de grootste maçonnieke liefdadigheidsinstelling ter wereld. Shriners hebben door de V.S. een netwerk van 22 gespecialiseerde ziekenhuizen waar kinderen met orthopedische problemen en brandwonden gratis behandeld kunnen worden. De orde vertoont veel overeenkomsten met de (veel kleinere) Grotto.
Toelatingseisen voor de Shriners zijn de 32° bij de Schotse Ritus of een Knight Templar (York Rite).
De plaatselijke afdelingen heten Oases. Tussen 1988 en 1995 was er een in Nederland, de 'Amsterdam Oasis', maar deze is in 1995 opgeheven wegens gebrek aan belangstelling. Sinds enige tijd zijn er berichten dat deze Oasis nieuw leven is ingeblazen. Zo wordt ze weer genoemd op de internetsite van de Europese shrinersorganisatie.
Er is maar een graad bij de Shriners, maar er zijn wel verschillende groepen die gezien kunnen worden als 'vervolggroepen', zoals de Royal Order of Jesters en de Order of Quetzalcoatl. Het rituaal bestaat uit twee delen: 'passing the cold sands', waarbij onder meer de traditionele fez wordt overhandigd en 'passing the hot sands', waarbij de kandidaat wordt onderworpen aan allerlei 'grappige' tests, zoals bijvoorbeeld het lopen over een tapijt waar een electrische stroom op staat en tussen een haag van leden gewapend met slaghout, spitsroeden lopen.
De orde heeft een aparte vrouwenafdeling, de Ladies Oriental Shrine of North America. Daarnaast zijn er enkele groepen voor vrouwen toegankelijk: de Ancient Arabic Order of Daughters of Sphinx, de Ladies Oriental Shrine of North America en de Daughters of Isis.
Interessant clubje dus en daarom wat aandacht voor deze dudes... Hieronder kan het wat mij betreft verder gaan...
Royal Order of Jesters
Er zijn onnoemelijk veel verschillende broederschappen en vele van deze broederschappen zijn hier op QFF al wel eens besproken, maar vandaag wil ik wat aandacht schenken aan een van deze ordes / broederschappen waarover tot op heden weinig over te lezen was hier op QFF. Ik wil het namelijk hebben over The Royal Order of Jesters. Ook wel de Koninklijke Orde van de Narren. Ja dat leest U helemaal goed, er is een Koninklijke orde van Narren...
De Koninklijke Orde van Narren is een mannelijk broederschap , waarbij alleen Shriners (hierover later meer op QFF) met een goede reputatie zich aan kunnen sluiten, ook al is dit broederschap niet echt gelieerd aan de Shriners of de Vrijmetselarij.
De oorspronkelijke vorming van het broederschap vond plaats op 20 februari 1911, dankzij de inspanningen van diverse Shriners. Dit gebeurde in het kantoor van de kapitein van de SS Wilhelmina terwijl deze onderweg was op bedevaart naar de Aloha Temple van de Shriners op Hawaii. A.M. Ellison uit San Francisco, Californië, was verantwoordelijk voor het samenstellen van de originele bezetting bestaande uit een directeur en dertien andere leden. Het werd beklonken en officieel vastgelegd op 25 juni 1917, tijdens een informele bijeenkomst.
Jesters zijn allemaal mensen met spreekwoordelijk "goede" reputatie. Het lidmaatschap is alleen op uitnodiging, en men kan zichzelf dus niet aanmelden. Het is een zogenaamde 'fun' "graad", met absoluut geen serieuze intentie. Het motto luidt; "Vrolijkheid is Koning!" En dat geeft mijns inziens genoeg over het doel en de achterliggende gedachte achter dit bijzondere broederschap. Het beeldmerk / logo van de Orde is de Billiken.
De Koninklijke Orde van Narren vindt dat er tijd moet zijn, na het harde werken en de toewijding aan familie, vrienden en de mensheid, om te lachen en te genieten van alle dingen die ze hebben gedaan en bewerkstelligd in hun dagelijkse leven.
Ze houden van alles behalve aandacht. Zo is er ooit een lid geroyeerd omdat hij een website over het broederschap had gemaakt. De website werd verboden door een rechter en is offline gehaald.
Een "rechtbank" van de Jesters mag per district oer jaar slechts 13 nieuwe leden werven...
De Koninklijke Orde van de Narren is eigenaar van een museum in Indiana. In het museum zijn onder andere enkele items te zien met betrekking tot de Jesters en hun historie maar ook zaken van mensen als William Shakespeare en andere historische personen die zich bezig hielden met het toepassen van humor in hun werk.
Tja... Hans Teeuwen zou dus zo maar een goede Jester / Nar kunnen zijn...
;-)
Vandaag wil ik even wat aandacht schenken aan Fraternitas Saturni. W00t? Wattuh? juist, U las het goed, aan Fraternitas Saturni... Wat dat dan wel niet is? Een in mijn ogen interessant genootschap / broederschap met Duitse wortels. Het is hier en daar al eens de spreekwoordelijke revue gepasseerd hier op QFF, maar in mijn ogen verdiend die illustere gezelschap een eigen plekje hier op QFF...
In het Nederlands is er verder vrij weinig te vinden over dit broederschap en dan kom je dus al snel terecht op de Duitse en / of Engelse Wikipedia pagina's over Fraternitas Saturni. En daarom besloot ik eens wat dieper in de materie te duiken... Leest U even mee...???
Fraternitas Saturni (Latijn voor: "Broederschap van Saturnus") is een Duitse magische orde of broederschap die haar naam ontlede aan de God Saturnus en / of de Planeet Saturnus, opgericht tijdens Pasen in het jaar 1928 door Eugen Grosche a.k.a. Gregor A. Gregorius en nog vier anderen. Het is een van de oudste actieve magische groepen in Duitsland. De lodge is, zoals Gregorius zegt: "Bezig met de studie van de esoterie, mystiek en magie in de kosmische zin". Vandaag heeft als doel te werken aan de spirituele evolutie van de mensheid door middel van de ontwikkeling en vooruitgang van de individuele persoon. Dit moet worden bereikt door geestelijke en ethische scholing van de persoonlijkheid en door volledige beheersing van esoterie en occultisme. Fraternitas Saturni hanteert een systeem van 33 graden om dit doel te bereiken. De lodge beweert verder geen politieke of economische doelstellingen na te leven. Het propageert de idealen van vrijheid, verdraagzaamheid en het ultieme broederschap.

Oorsprong: PanSophia Lodge en de Weida Conferentie
De Fraternitas Saturni werd opgericht in de nasleep van de zogenaamde "Weida Conferentie", die werd gehouden in 1925. Dit alles vond plaats onder de spreekwoordelijke hoed van de "Collegium Pansophicum, Orient Berlin" ( PanSophia Lodge), een Rozenkruisers orde gesticht door Heinrich Traenker, een opmerkelijke Duitse occultist uit de tijd. De Weida conferentie was bedoeld om te consolideren en draaide grotendeels om Aleister Crowley 's gedonder omtrent zijn Ordo Templi Orientis waarin hij zichzelf vooral ophemelde als de verwachte Wereldleraar.
Oprichting
Tijdens Pasen in het jaar 1928, werd de Fraternitas Saturni dus officieel opgericht in Berlijn. De Lodge was een soort van een formele afvaardiging van The Book Of Law, maar zij zouden niet bemoeien met Crowley. Althans dat was de oorspronkelijke bedoeling. De Fraternitas Saturni die hem nog steeds zagen als een belangrijke leraar en groot kenner van de wet van Thelema, besloten toch alle banden in eerste instantie met hem te verbreken. Dit resulteerde in het feit dat de Fraternitas Saturni een andere blik ontwikkelde op het idee achter de zogeheten wet van Thelema, hetgeen tot uiting komt in de rituelen en magische technieken van dit broederschap.
In 1936 werd de Fraternitas Saturni verboden door het Nazi -regime van oom Adolf. Gregorius en andere leiders van de lodge emigreerden om gevangenisstraf te vermijden, maar in de loop van de oorlog werd Grosche gearresteerd en gevangen houden voor de duur van een jaar. Na de Tweede Wereldoorlog hervormde Gregorius de Fraternitas Saturni.
Na de Tweede Wereldoorlog
Het einde van de Tweede Wereldoorlog zag zo'n beetje de reactivering van Fraternitas Saturni. Vanuit de stad Riesa in Oost-Duitsland en later vanuit Berlijn, probeerde Gregorius om de Broeders (die inmiddels in heel Europa verbleven) de contacteren. In 1957 bestonden er lodges in Düsseldorf, Hamburg, Frankfurt en Stuttgart, en de Grote Lodge in Berlijn als een soort van hoofdkwartier. In 1960 had de Fraternitas Saturni, volgens haar ledenlijst, ongeveer 100 leden, maar in 1962 hebben interne problemen geleid tot de royering van een aantal leden. Na de dood van Grosche in 1964, ontstond er verwarring over de positie van de nieuwe grootmeester. Dit resulteerde in een schisma tussen de lodge in Frankfurt en het hoofdkwartier van de orde in Berlijn. In 1969 werden de twee afzonderlijke groepen van de Fraternitas Saturni herenigd, doordat ze besloten hun voormalige conflicten bij te leggen.
Lijst van grootmeesters
Gregor A. Gregorius (1928-1964),
Roxane (1964/65),
Daniel (1966-1969),
Jananda (1969),
Andrzey (1969-1977),
Horus (1977/78),
Drakon (1978-1982),
Hamupe (1983-86),
Babacan (1986-1990),
Thot (sinds 1990).
Structuur
Oorspronkelijk bestond er negen graden binnen de Fraternitas Saturni, met uitzondering van de Novice. Een nieuw lid van de Pronaos hield de rang van Neophyt (Leerling), en kreeg in de tweede graad de naam Gradus Mercurii (Journeyman), gevolgd door de Gradus Solis (Master). De eerste graad in de tweede orde werd de Gradus Pentalphae genoemd, gevolgd door de Gradus Sigilli Salomonis en de Magus Heptagrammatos. Daarna volgden Templarius, Gnosticus en Magister Waterman.
Het systeem van graden werd veranderd in 1960. Na de reformatie van het rangen systeem en de uitbreiding naar 33 graden, werd de Gradus Mercurii de 8ste graad °, Gradus Solis werd de 12de graad ° en de Gradus Pentalphae werd de 18de graad °. De andere rangen werden na herpositionering omgedoopt. De Templarius werden omgedoopt tot Princeps Arcani ook wel de 24ste graad ° en er werd een nieuwe graad voor de Magister Templarius bedacht, de zogenaamde 31ste graad °.
De initialen van de rangen van de Gradus Ordinis Templi Orientis Saturni (33 °) zijn gelijk aan de naam van de egregore van de lodge - GOTO's.
Ook op Youtube is er wel wat te vinden over dit interessante clubje... Kijkt U even mee...???
Enfin, U voelt 'm waarschijnlijk al wel aankomen, hieronder in de comments kan het inderdaad wat mij betreft verder gaan...
Na mijn introductie hier op Quo Fata Ferunt was het even een tijdje stil. Als "i" was ik overal en nergens aanwezig door deel te nemen aan de algemene aanwezigheid. Het weerhield mij er dan ook niet van om hier aanwezig te zijn, ofschoon het wellicht leek alsof ik hier simpelweg niet was. Tijdens het overzien van mijn algehele beschouwing die is ontstaan na het analyseren van mijn introductie hier op QFF, heb ik kunnen concluderen dat menigeen weet waar ik met mijn eerste epistel op doelde toen ik stelde dat ik in alles en iedereen verweven zit als zijnde "i", dus als mijzelf.
Om hieraan gehoor te geven, wil ik diegene die ook daadwerkelijk zagen waar ik het over had, vragen me te volgen op het pad dat ons zal brengen bij de deuren of de poorten van de tempel van het broederschap van "i". De route is vanzelfsprekend en reeds uitgestippeld door al dat wat mij, jullie, jij, hun, hem, haar en ons allen verbind. Wellicht klinkt dit nog steeds wat vaag en zijn er nog steeds mensen die dit epistel lezen en nog steeds niet beseffen waar ik als "i" zijnde op af tracht te stormen. "Verlichting is niet niet vanzelfsprekend!" zei een wijze dwaas ooit tegen 'n dwaze wijsbegeerder.
Soms is het van belang dat je in het leven de eenvoud weet te waarderen en zodoende leert omgaan met het wikken en wegen van de belangen die je tegenkomt. Elk belang dat zal worden gewogen is afhankelijk van het oordeel dat wordt toegekend op basis van de intenties die ik in mijn eerste epistel reeds benoemde. Deze intenties vormen namelijk de kern voor iedere genomen beslissing. Elke beslissing vormt aan de hand van de intenties waarmee de beslissing is gevormd weer een nieuw kader waaraan je in je doen en laten uiteindelijk zult refereren om zo weer om te gaan met al dat mooie en ook al dat lelijke dat je op je pad tegenkomt.
Het zijpaadje dat je normaliter links liet liggen zou zomaar ineens wel eens de inspiratie voor een nieuwe tocht kunnen vormen. Een nieuwe tocht die zou kunnen leiden naar de poorten van de hel of van de hemel. Hoe jij de bestemming van je tocht ervaart is onlosmakelijk verbonden aan alle ervaringen, intenties en energieën die jou hebben gevormd tot de persoon die je bent op het moment dat je dit leest.
Jij, ik, zij, hij, hun, wij en een ieder die ik vergeet te benoemen als persoon in de vorm van al dat is omdat al dat denkt en doet ook is en blijft, wil ik verzoeken om zonder waaks te zijn toch die afslag eens te nemen die je normaal gesproken voorbij gaat, dat ene paadje gewoonweg eens te bewandelen en te zien waar het jou zal brengen. Wellicht nog niet direct naar de letterlijke poorten van de tempel van het broederschap van "i", maar vermoedelijk opent het de poorten naar een nieuw hoofdstuk dat je dichterbij de essentie van de boodschap van "i" zal weten te brengen.
Vergeet niet, dat niets is wat het lijkt. Dat God zowel lelijk, als knap en lekker kan zijn. God kan de wanstaltige met pus en pukkels besmeurde buurman zijn uit je aller, aller, aller ergste nachtmerries maar ook het aller lekkerste mokkel dat je ooit hebt mogen aanschouwen. God is ik en God is jou. God is mij, hun, haar, hem, wij, zij, hij en nog onnoemelijk veel anderen. God is er in alle vormen, kleuren, smaken en maten. God is ook overal, in elke vorm, of je het nu wilt of niet. Eigenlijk dus net als "i", en daarmee dus net als ik, en jij en hun en zij en ga zo maar door! Omdat je denkt en dus bestaat, is het niet zo dat je ook alles maar aan moet nemen, wat men je tracht op te dringen! Denk vooral erg veel voor jezelf en daarmee dus indirect ook voor een ander. En oordeel vooral op basis van je bevindingen en vorm zo doende de wereld naar jouw eigen smaak!
Wacht niet op wat gaat komen, als je niet zeker weet of dat wat men je tracht te doen laten geloven, ook daadwerkelijk is zoals ze zeggen dat het zal zijn. Ga zelf op expeditie en ontdek zelf hoe het zit en zet het desnoods naar je eigen hand. Lees goed tussen al dat, wat lijkt te zijn en haal er dan uit wat van belang is om zo weer een stukje dichter bij de tempel van het Broederschap van "i" te komen.
Binnenkort verschijnt er weer een nieuw epistel, waarin ik jullie allen weer wat dichter bij het het einde van dit verhaal over "i" en het Broederschap van "i" zal proberen te brengen, door opnieuw een beetje dieper in te gaan op de essentie van de essentie van het verhaal van "i".
- chaos
- qff
- quo fata ferunt
- oudheid
- bijzonder
- god
- aarde
- broederschap
- zon
- illuminati
- lid worden
- illuminatie
- occult
- new
- nieuw
- goden
- quo
- fata
- ferunt
- lodge
- loge
- oud
- universum
- 11
- anders
- leden
- broeders
- duister
- dark
- liefde
- licht
- verlichting
- donker
- deuren
- waarom
- alles
- balans
- evenwicht
- ik
- wie
- wel
- verlicht
- i
- zusters
- 2013
- i broederschap
- poorten
- hal
- logos
- masters
- ikbeni
- all
- lidmaatschap
Dit nieuwe jaar wil ik artikel-technisch gezien graag aftrappen met een artikel over de Vikingen uit Jomsborg / Jomsburg. We hebben op QFF al een prachtig artikel over de gewone Vikingen en in het topic over de mysterieuze schijf die is ontdekt in de Oostzee staat zelfs al een kleine referentie naar deze bewuste Vikingen uit Jomsburg.

In het Engels en ook in het Duits bestaan er prachtige pagina's met informatie over de Jomsvikingen op Wikipedia. In het Nederlands echter niet, en ook als je tracht te zoeken naar meer informatie over de Vikingen uit Jomsburg in het Nederlands, zul je niet echt veel verder komen dan wat vage verwijzingen naar deze semi legendarische Vikingen uit Jomsburg.
Door de geschiedenis heen bestaan er diverse verwijzingen naar de Jomsvikingen. Zo zouden naar verluid enkele zeer belangrijke koningen uit de geschiedenis van de Vikingen en Scandinavië deel hebben uitgemaakt van deze Jomsvikingen. In hoeverre we echter met honderd procent zekerheid vast kunnen stellen, of Jomsburg en de Jomsvikingen überhaupt ooit ook maar echt bestaan hebben dat valt niet echt vast te stellen.
Er zijn vele sagen en mythologische verhalen omtrent deze gevreesde groep krijgers die zo berucht waren in de tijd dat ze bestonden dat ze nagenoeg elke strijd of oorlog in hun eigen voordeel wisten te beslissen. In hoeverre deze sagen en mythologische verhalen omtrent deze semi legendarische club krijgers ook echt stroken met de realiteit waarin zich alles afgespeeld zou hebben, dat valt natuurlijk te bezien. Veelal zijn dit soort verhalen ontstaan door overleveringen en vertellingen. En zoals we allemaal weten, veranderd een verhaal doorgaans een aantal malen naarmate meer mensen het hebben gehoord en op hun manier weer hebben doorverteld. Ergens zou je kunnen stellen dat er dus wel een kern van waarheid in het verhaal zal zitten, hoe groot deze kern echter nog is, is natuurlijk maar de vraag.
Enfin, terug naar het verhaal omtrent de Jomsvikingen, want daar gaat dit artikel uiteindelijk over... De inleiding heeft jullie tenslotte al tot hier weten te brengen dus ik zie niet helemaal in waarom ik nu af zou haken... ;-)
De Jomsvikingen dus... De Jomsvikingen waren dus eigenlijk een soort bedrijf van Viking huurlingen of bandieten (dat is maar net in welk daglicht je de verhalen van toen weet te houden) uit de 10e eeuw en de 11e eeuw. Hun doen en laten waren gewijd aan de verering van goden als Odin en Thor.
Ondanks het vereren van deze heidense goden zouden ze naar verluidt gevochten hebben voor elke heer en elk geloof dat in staat was om hun een wezenlijke bijdrage te betalen. Zo af en toe vochten ze dus ook aan de zijde van de vroege christelijke heersers uit die tijd.
Volgens de Noorse sagen en de verbasterde vromen van de Noordse Mythologie (met name de Jómsvíkinga saga, de koning Olaf Tryggvasson's Saga, en de verhalen in het Flatey Boek), was hun bolwerk Jomsborg / Jomsburg gelegen aan de zuidelijke oevers van de Oostzee. De exacte locatie wordt echter betwist door moderne historici en archeologen. De meeste specialisten verwijzen naar een plek op de heuvel Silberberg ten noorden van de stad Wollin op het zogeheten Wollin eiland. Jomsborg wordt beschouwd als identiek aan de plaatsen Jumne, Julin en Vineta die allen genoemd worden in middeleeuwse Deense en Duitse bronnen.
De legende van de Jomsvikingen verschijnt ook in een deel van de IJslandse saga's uit de 12e en de 13e eeuw. Het bestaan van Jomsborg is dus een kwestie van debat in historische kringen, als gevolg van de schaarste aan primaire bronnen die verwijzen naar Jomsburg en de Jomsvikingen.
Er zijn in onze tijd geen plaatsnamen en / of vermeldingen op landkaarten die nog verwijzen naar de Jomsvikingen en / of Jomsburg, maar er zijn wel degelijk drie oude runenstenen en en andere monumenten die verwijzen naar veldslagen waar de Jomsvikingen bij betrokken zijn geweest.
De Jomsvikingen Code
De Saga van de Jomsvikingen vertelt onder meer dat de Jomsvikingen zeer selectief waren om te beslissen wie er wel en niet werd toegelaten in de binnenste kringen van hun organisatie. Het lidmaatschap was beperkt tot alleen mannen die hun dapperheid bewezen hadden en welke ook nog eens tussen de 18 en 50 jaar oud waren. Er was echter een uitzondering voor zover bekend. De 12 jarige jongeman die luisterde naar de naam Vagn Åkesson , hij versloeg namelijk de veel oudere Sigvaldi Strut Haraldsson in een man op man gevecht en dat terwijl Sigvaldi Strut Haraldsson te boek stond als een zeer dappere en sterke krijger.
Om toegelaten te worden, moesten toekomstige leden eerst verplicht bewijzen uit wat voor hout ze gesneden waren, dit gebeurde vaak in de vorm van een ritueel duel. Eenmaal toegelaten, moesten de Jomsvikingen zich houden aan een strikte gedragscode om een gevoel van militaire discipline in te boezemen. Elke overtreding van de regels werd bestraft met een onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap. Elke Jomsviking was dus gebonden aan de broeders van zijn broederschap, bij het leven maar soms ook tot ver na de dood, indien het bijvoorbeeld nodig was om iemand te wreken of met terugwerkende kracht te verdedigen. Het was voor de Jomsvikingen tevens verboden om kwaad te spreken over zijn medemens of ruzie te maken anderen.
Als een Jomsviking bloedwraak moest nemen dan werd dit geregeld door de officieren, zij waren dan de gene die hierin bemiddelden en de desbetreffende Jomsvikingen de opdracht gaven om voor bloedwraak te gaan. Elke buit werd eerlijk verdeeld onder alle Jomsvikingen. Het was verboden om zonder toestemming van het broederschap langer dan drie dagen afwezig te zijn in Jomsburg. Daarnaast mochten vrouwen en kinderen absoluut niet binnen de vestingmuren verblijven. Hoe de Jomsvikingen hiermee dealden is verder niet bekend. Het kan heel wel zo geweest zijn dat het een eis was van de Jomsvikingen dat je alle banden verbrak met je familie en of vrienden.
Enfin, al met al is er dus meer dan genoeg te vinden over dit bijzondere clubje Vikingen. Om een aardig beeld te krijgen van wie de Jomsvikingen zijn geweest zou je het beste kunnen beginnen bij de Engelse versie van de Wikipedia pagina over de Jomsvikingen. Verder is er her en der op het web nog wel meer over deze wilde dudes te vinden.
En voor hen die nog aspiraties op het vlak van roven en plunderen hebben, in Groot Brittannië schijnt er een groepje wannabe Jomsvikingen vrolijk met zwaarden en bijlen te hakken alsof ze oprecht 1000 jaar terug in de tijd leven...
De legende of de geschiedenis (wie het weet mag het zeggen) leeft dus voort...
Anyways, hieronder in de comments kan het wat mij betreft verder...
- stenen
- archeologen
- baphomet
- europa
- zweden
- scandinavië
- goden
- history
- wodan
- Odin
- Noordpool
- Denemarken
- koningen
- Noorwegen
- Mythologie
- thor
- Germaans
- Noordse
- 2013
- begin
- start
- jomsburg
- jomsborg
- oostzee
- baltische zee
- vicky wicky viking
- vikings
- vicky
- wicky
- heya
- wildeman
- woest
- bruten
- bruut
- zweedse
- deense
- kanut
- knoet
- blauwtand
- harrald
- jomsvikingen
- vikingen uit jomsborg
- jomsvikings
- runesteen
- runen
- futhark
- aftrappen
- gaan
Zo af en toe strompel ik rond door de verziekte wereld van het wereldwijde web. Tijdens de verschillende pogingen om interessante informatie te vinden, loop ik zo nu en dan letterlijk tegen de meest vreemde en vage zaken aan. Zo ook vandaag tijdens een zoektocht naar meer informatie over Odin. U weet wel die Odin uit de Germaanse en Noordse Mythologie. Anyways, tijdens mijn zoektocht strompelde ik dus over een website van het Odin Broederschap, of ook wel The Odin Brotherhood. 
Ik had werkelijk geen idee dat deze club bestond en het leek mij gepast er maar even wat aandacht aan te schenken hier op QFF in de vorm van dit artikel. Enfin, het Odin Broederschap dus... Daar ik Odin op verschillende van mijn speurtochten menigmaal tegen het vege lijf heb mogen lopen, kon ik er simpelweg niet onder uit om hier dus even wat dieper op in te gaan...
Het "geheime" broederschap van Odin is een broederschap voor zowel mannen als vrouwen waarin vrijheid, wetenschap en macht een belangrijke rol vervullen. Althans dat is wat ik uit de verwelkoming op hun website kan afleiden. De oude methodes van de religie van de oude krijgers (ook wel Odinisme of Asatru genoemd) staan voorop in het doen en laten van dit broederschap. Ze claimen dat de oorsprong van hun religieuze overtuigingen en hun "roots" liggen in de oorsprong van de mensheid en daarmee stellen ze dat Odinisme of Asatru al net zo lang bestaat als dat er mensen bestaan. Een erg interessante gedachte vind ik persoonlijk. Daarnaast is het verhaal achter het ontstaan van dit broederschap ook wel interessant te noemen.
Ze hebben zelfs een eigen forum...
Enfin, ik zal niet al te veel verklappen en vertalen vanuit het Engels, zodat jullie zelf ook nog wat te lezen over houden... Daarnaast is de oorspronkelijke tekst altijd het meest interessant om te lezen in mijn optiek... Anyways, leest U even mee...???
When the world is pregnant with lies, a secret long hidden will be revealed
WHAT IS THE ODIN BROTHERHOOD?
The Odin Brotherhood is a secret society for men and women who value “knowledge, freedom, and power.”
The Odin Brotherhood adheres to and practices the ancient warrior religion that is today called Odinism or Asatru. Consecrated to the pagan gods of Asgard–gods that are older, better, and truer--members of the Brotherhood use the Eddaic Verses–also called the Poetic Edda–as sacred texts.
As a warrior religion--a creed that glorifies the hero over the saint--the "mailed fist" over the "nailed hands"--the Odin Brotherhood represents strength over weakness, pride over humility, and knowledge over faith.
In an era of ugliness, impotence, and death, we glorify beauty, power, and life.Ours is a religion that creates no laws, only virtues. A revolt against the modern world–with its laws and moral codes–its hangmen and its priests–Odinism teaches men and women how to rule, fight, hunt, and procreate.
Members of the Odin Brotherhood are a hidden elite–a luminous beacon in a corrupt and squalid world. As proud friends of the gods and goddesses, we distinguish themselves from ordinary men and women.
Our religion--the proud tradition of Odin, Thor, Sif, Heimdall, and the other deities described in the Eddaic Verses--equips us to face the tyranny of fate–and the mystery of death.
Ordinary humans--dedicated to what Nietzsche called the slave religions--spend their lives toiling and obeying. Members of the Brotherhood--in contrast--are extraordinary mortals who know how to rule, fight, hunt, and procreate.
HISTORY ACCORDING TO THE ODIN BROTHERHOOD
Regarding the place of Odinism or Asatru in history, members of the Brotherhood assert that the religion of Odinism dates back to the dawn of humanity.
Man has been a hunter for several hundred thousand years–a farmer for ten thousand years–and a factory worker for two hundred years. Odinism is the religion of man the hunter.
This religion–almost exterminated in the fifteenth century of the current era–was kept alive by the Odin Brotherhood.
The great monotheistic religions–in contrast–the religions of Judaism, Christianity, and Islam–represent man the worker–man the toiler. As slave religions, they teach men and women to kneel, believe, and obey.
Historically, the Odin Brotherhood views Judaism, Christianity, and Islam as three manifestations of the same faith. These religions, which call upon the same god, essentially have the same five laws. Believers are taught to placate, propitiate, supplicate, honor, and obey.
WHO ESTABLISHED THE ODIN BROTHERHOOD?
In the legend of the Brotherhood, the story begins when a young pagan widow–the beautiful mother of three–was caught honoring her ancient gods and goddesses in a remote grotto.
A mob of nominal Christians–bigots who were black with hate–burned her alive on a pyre composed of green wood.
After the murder, the woman’s three children–using an ancient and forbidden rite from paganism–a rite called necromancy--summoned her from beyond the outer darkness–from beyond the grave.
Answering the summons, the slain woman instructed her children to save the ancient religion of Odinism by taking the movement underground.
They were instructed to form a secret society–a conspiracy of equals. Dedicated to the old gods, it was called the Odin Brotherhood.
According to the Brotherhood, all of these events occurred somewhere in Eurasia–somewhere north of the Black Sea--in the fifteenth century of the current era.
We know that buried artifacts exist which will some day confirm our tale.
HOW DOES ONE JOIN THE ODIN BROTHERHOOD?
Traditionally, the teachings spread from person to person. Only by word of mouth, from mind to mind, could the secrets pass.
Today, however, with more written information appearing in manuscript and in published form, solitary practitioners–lone wolves who initiate themselves–are becoming more common.
In its current form, membership in the Odin Brotherhood is secret–as in the so-called Illuminati conspiracy. The objectives of the Odin Brotherhood are stated publicly, as in the legendary Rosicrucians.
Unlike the freemasons, members of the Odin Brotherhood do not need secret words or grips or gestures to recognize one another. We know one another by a way of speaking, a dignity and reserve of manner, and an intensity in the eyes.
FACTS ABOUT THE ODIN BROTHERHOOD
1. The Odin Brotherhood is a polytheistic religion devoted to Odin, Thor, Sif, and the other deities of the Norse tradition. Monotheism, described as "the belief in one totalitarian god," is "preposterous and absurd."
2. The Odin Brotherhood claims an unbroken historical lineage from 1421. Although the movement "bears the teeth marks of Christianity," we have survived persecution.
3. To be initiated into the Brotherhood (we are a "secret society"), individuals must "devote, hallow, and sanctify" their blood to "the gods who live."
4. The Brotherhood denounces "faith" as "a poison that paralyzes the mind." Members are taught to "seek knowledge."
5. The Brotherhood glorifies strength. We assert that it is “only by becoming stronger that a man can realize his divinity."
6. The Brotherhood teaches absolute self-reliance. Members would "rather steal than accept charity."
7. Sin is denied and "contrition" is denounced as a "totem of decadence." Odinists see repentance as a mark of weakness because "only the terrorized repent."
8. The Odin Brotherhood has no temples or churches. The gods, we believe, can be honored anywhere as long as all "strangers" are excluded, all words are "whispered," and "all abominations are avoided." (By abominations, we mean "promiscuity and assassination.")
9. The central rite of the Brotherhood is called the "Glimpse-Of-Extraordinary-Beauty." The celebrants conducting this rite are "enveloped and penetrated by the thoughts of a god."
10. The Brotherhood believes in life after death ("nothing dies forever"). We believe there are three "Other-Worlds," including the fabled "Valhalla" or "White-Kingdom." The Odin Brotherhood believes that the Christian hell does not exist. Hell is one of the "spurious horrors" contrived by extinct theologians."
Tja... U snapt natuurlijk wel dat ik hierover wel wat moest tikken, het is gewoonweg te interessant om maar even over te slaan en het sluit daarnaast feilloos aan op vele andere onderwerpen hier op QFF. Wat mij betreft kan het hieronder in de comments verder mensen...
Al een tijdje vroeg ik mij af of sjamanen over de hele wereld verspreid mogelijk ook verenigd zouden kunnen zijn in een soort van genootschap of broederschap voor sjamanen uit alle windstreken. Nadat ik zelf al het nodige speurwerk verricht had, ontdekte ik vandaag dankzij een verhelderend gesprek met QFF-er Inuksuk dat er dus wel degelijk een dergelijk genootschap bestaat...
De Midewiwin... Ook wel het grote medicijnen genootschap genoemd... Een genootschap met leden over de hele wereld. Allemaal sjamanen die zich dus verenigd hebben in een clubje. Interessant, en daar moest ik voor mijn gevoel eens wat dieper induiken!
Er bestaat dus en Engelstalige Wikipedia pagina over de Midewiwin, maar Nederlandstalige Wikipedia pagina. En maar weinig andere Nederlandstalige informatie... Daarnaast ben ik vandaag een beetje lui, dus plaats ik hieronder de Engelstalige Wikipedia pagina, om U toch een goed idee te geven van de Midewiwin... Leest U even mee...???
The Midewiwin (also spelled Midewin and Medewiwin) or the Grand Medicine Society is a secretive religion of the aboriginal groups of the Maritimes, New England and Great Lakes regions in North America. Its practitioners are called Midew and the practices of Midewiwin referred to as Mide. Occasionally, male Midew are called Midewinini, which sometimes is translated into English as "medicine man".
Name
The preverb mide can be translated as "mystery," "mysterious," "spiritual," "sanctimonious," "sacred," or "ceremonial", depending on the context of its use. The derived verb midewi, thus means "be in/of mide." The derived noun midewiwin then means "state of being in midewi." Often mide is translated into English as "medicine" (thus the term midewinini "medicine-man") though mide conveys the idea of a spiritual medicine, opposed to mashkiki that conveys the idea of a physical medicine. A practitioner of Midewiwin is called a midew, which can also be rendered as mide'o... both forms of the word derived from the verb midewi, or as a medewid, a gerund form of midewi. Specifically, a male practitioner is called a midewinini ("midew man") and a female practitioner a midewikwe ("midew woman").
Due to the body-part medial de' meaning "heart" in the Anishinaabe language, "Midewiwin" is sometimes translated as "The Way of the Heart." Blessing shares a definition he received from Thomas Shingobe, a "Mida" (a Midewiwin person) of the Mille Lacs Indian Reservation in 1969, who told him that "the only thing that would be acceptable in any way as an interpretation of 'Mide' would be 'Spiritual Mystery'." However, fluent speakers of Anishinaabemowin often caution that there are many words and concepts that have no direct translation to English
Origins
According to historian Michael Angel, the Midewiwin was a "flexible, tenacious tradition that provided an institutional setting for the teaching of the world view (religious beliefs) of the Ojibwa people". Commonly among the Anishinaabeg, Midewiwin is ascribed to Nanabozho as its founder. However, among the Abenakis, Midewiwin is ascribed to Mateguas, who upon his death and needing to comfort his brother who is still alive, bestowed the Midewiwin to his grieving brother Gluskab. However, Hoffman records that according to the Mille Lacs Indians chief Bayezhig ("Lone One"), Midewiwin had it origin as:
"In the beginning, Gichi Manidoo made the mide manidoog. He first created two men, and two women; but they had no power of thought or reason. Then Gichi Manidoo made them rational beings. He took them in his hands so that they should multiply; he paired them, and from this sprung the Anishinaabe. When there were people he placed them upon the earth, but he soon observed that they were subject to sickness, misery, and death, and that unless he provided them with the Sacred Medicine they would soon become extinct.
"Between the position occupied by Gichi Manidoo and the earth were four lesser manidoog with whom Gichi Manidoo decided to commune, and to impart to them the mysteries by which the Anishinaabeg could be benefited. So he first spoke to a manidoo and told him all he had to say, who in turn communicated the same information to the next, and he in turn to next, who also communed with the next. They all met in council, and determined to call in the four wind manidoog. After consulting as to what would be best for the comfort and welfare of the Anishinaabeg, these manidoog agreed to ask Gichi Manidoo to communicate the Mystery of the Sacred Medicine to the people.
"Gichi Manidoo then went to the Sun Spirit and asked him to go to the earth and instruct the people as had been decided upon by the council. The Sun Spirit, in the form of a little boy, went to the earth and lived with a woman who had a little boy of her own.
"This family went away in the autumn to hunt, and during the winter this woman’s son died. The parents were so much distressed that they decided to return to the village and bury the body there; so they made preparations to return, and as they traveled along, they would each evening erect several poles upon which the body was placed to prevent the wild beasts from devouring it. When the dead boy was thus hanging upon the poles, the adopted child—who was the Sun Spirit—would play about the camp and amuse himself, and finally told his adopted father he pitied him, and his mother, for their sorrow. The adopted son said he could bring his dead brother to life, whereupon the parents expressed great surprise and desired to know how that could be accomplished.
"The adopted boy then had the party hasten to the village, when he said, “Get the women to make a wiigiwaam of bark, put the dead boy in a covering of wiigwaas and place the body on the ground in the middle of the wiigiwaam.” On the next morning after this had been done, the family and friends went into this lodge and seated themselves around the corpse.
"When they had all been sitting quietly for some time, they saw through the doorway the approach of a bear, which gradually came towards the wiigiwaam, entered it, and placed itself before the dead body and said, “ho, ho, ho, ho,” when he passed around it towards the left side, with a trembling motion, and as he did so, the body began quivering, and the quivering increased as the bear continued until he had passed around four times, when the body came to life again and stood up. Then the bear called to the father, who was sitting in the distant right-hand corner of the wiigiwaam, and addressed to him the following words:
Noos gaawiin anishinaabewisii, ayaawiyaan manidoo ningwisis.
My father is not an Indian not, I am a spirit son.
Bi-mayaa minik niiji- manidoo mayaa zhigwa ji-gi-aawiyan. Insomuch my fellow spirit clearly now as you are. Noose, zhigwa asemaa ji-atooyeg. E-mikondem mii eta My father, now tobacco you shall put. He mentions of that only aabiding ji-gashkitood wenji- bimaadizid omaa agaawaa once to be able to do it why he shall live here scarcely bimaadizid mii omaa; niiji- manidoo mayaa zhigwa ji-giiweyaan. he lives thus here; my fellow spirit clearly now I shall go home.
"The little bear boy was the one who did this. He then remained among the Anishinaabeg and taught them the mysteries of the Midewiwin; and, after he had finished, he told his adopted father that as his mission had been fulfilled he was to return to his kindred manidoog, for the Anishinaabeg would have no need to fear sickness as they now possessed the Midewiwin which would enable them to live. He also said that his spirit could bring a body to life but once, and he would now return to the sun from which they would feel his influence."
This event is called Gwiiwizens wedizhichigewinid—Deeds of a Little-boy.
Associations
Tribal groups who have such societies include the Abenaki, Quiripi, Nipmuc, Wampanoag, Anishinaabe (Algonquin, Ojibwa/Chippewa, Odawa/Ottawa and Potawatomi), Miami, Fox, Sac, Sioux and the Winnebago. These indigenous peoples of Turtle Island (North America) known either as First Nations or as Native Americans passed along birch bark scrolls, teachings, and have degrees of initiations and ceremonies. They are often associated with the Seven Fires Society, and other aboriginal groups or organizations. The Miigis shell, or cowrie shell, is used in some ceremonies, along with bundles, sacred items, etc. There are many oral teachings, symbols, stories, history, and wisdom passed along and preserved from one generation to the next by these groups.
Whiteshell Provincial Park (Manitoba) is named after the white shell (cowrie) used in Midewiwin ceremonies. This park contains some petroforms that are over 1000 years old, or possibly older, and therefore may predate some aboriginal groups that came later to the area. The Midew society is commemorated in the name of the Midewin National Tallgrass Prairie (Illinois).
Degrees
The Mide practitioners are initiated and ranked by "degrees." Much like the apprentice system or an academic degree programs, a practitioner cannot advance to the next higher degree until completing the required tasks and gain the full knowledge of that degree's requirements. Only after successful completion, may a candidate be considered for advancement into the next higher degree.
Extended Fourth
The accounts regarding the extended Fourth Degrees vary from region to region. All Midewiwin groups claim the extended Fourth Degrees are specialized forms of the Fourth Degree. Depending on the region, these extended Fourth Degree Midew can be called "Fifth Degree" up to "Ninth Degree." In parallel, if the Fourth Degree Midew is to a doctorate degree, the Extended Fourth Degree Midew is to a post-doctorate degree.
The Jiisakiwinini is widely referred to by Elders as the "highest" degree of all the medicine practitioners in the Mide as it is Spiritual medicine as opposed to physical/plant based medicine.
Medicine lodge
Midewigaan
The midewigaan ("mide lodge"), also known as mide-wiigiwaam ("mide wigwam") when small or midewigamig ("mide structure") when large, is known in English as the "Grand Medicine Lodge" and is usually built in an open grove or clearing. A midewigaan is a domed structure with the proportion of 1 unit in width by 4 units in length. Though Hoffman records these domed oval structures measuring about 20 feet in width by 80 feet in length, the structures are sized to accommodate the number of invited participants, thus many midewigaan for small mide communities in the early 21st century are as small as 6 feet in width and 24 feet in length and larger in those communities with more mide participants. The walls of the smaller mide-wiigiwaam consist of poles and saplings from 8 to 10 feet high, firmly planted in the ground, wattled with short branches and twigs with leaves. In communities with significantly large mide participants (usually of 100 people or more participants), the midewigamig becomes a formal and permanent ceremonial building that retains the dimensions of the smaller mide-wiigiwaam; a midewigamig might not necessarily be a domed structure, but typically may have vaulted ceilings.
Openings to the mide-wiigiwaam are on either end of the lodge, extending east and west with the main entrance toward that point of the compass at which the sun rises. In the east and west walls are left open spaces, each about 3 to 4 feet wide, used as entrances to the enclosure. From each side of the opening the wall-like structure extends at right angles to the end wall, appearing like a short hallway leading to the enclosure, and resembles double doors opened outward. Saplings thrown across the top of the structure serve as rafters, upon which are laid branches with leaves, and pieces of bark, to sufficiently shade the occupants from the rays of the sun. Several saplings extend across the enclosure near the top, while a few are attached to these so as to extend longitudinally, from either side of which presents of blankets, etc., may be suspended. At a distance about a sixth of the lodge's length from the main entrance, a large flattened stone, measuring more than a foot in diameter, is placed upon the ground. This is used when subjecting to treatment a patient; and at a corresponding distance from the western door is planted the sacred mide post of cedar, that for the first degree being about 7 feet in height and 6 or 8 inches in diameter. It is painted red, with a band of green 4 inches wide around the top. Upon the post is fixed the stuffed body of an owl. Upon that part of the floor midway between the stone and the mide post is spread a blanket, upon which the gifts and presents to the society are afterward deposited. A short distance from each of the outer angles of the structure are planted cedar or pine trees, each about 10 feet in height. Design of the larger midewigamig is similar to that of the smaller mide-wiigiwaam, but as this structure is a formal building, saplings are not used. The high-dome or vaulted ceilings allow for the rays of the sun to enter the building and permeate the ceremonial area with light.
Jiisakiiwigaan
Design of the jiisakiiwigaan ("'juggler' lodge" or "Shaking Tent" or traditionally "shaking wigwam") is similar in construction as that of the mide-wiigiwaam. Unlike a mide-wiigiwaam that is an oval domed structure, the jiisakiiwigaan is a round high-domed structure of typically 3 feet in diameter and 6 feet in height, and large enough to hold two to four people.
Annual and seasonal ceremonies
Aabita-biboon (Midwinter Ceremony)
Animoosh ([White] Dog Ceremony)
Jiibay-inaakewin or Jiibenaakewin (Feast of the Dead)
Gaagaagiinh or Gaagaagishiinh (Raven Festival)
Zaazaagiwichigan (Painted Pole Festival)
Mawineziwin ("War [Remembrance] Dance")
Wiikwandiwin ([Seasonal] Ceremonial Feast)—performed four times per year, once per season. The Wiikwandiwin is begun with a review of the past events, hope for a good future, a prayer and then the smoking of the pipe carried out by the heads of the doodem. These ceremonies are held in mid-winter and mid-summer in order to bring together peoples various medicines and combine their healing powers for revitalization. Each Wiikwandiwin is a celebration to give thanks, show happiness and respect to Gichi-manidoo. It is customary to share the first kill of the season during the Wiikwandiwin. This would show Gichi-manidoo thanks and also ask for a blessing for the coming hunt, harvest and season.
Rites of passage
Nitaawigiwin (Birth rites)—ceremony in which a newborn's umbilical cord is cut and retained
Waawiindaasowin (Naming rites)—ceremony in which a name-giver presents a name to a child
Oshki-nitaagewin (First-kill rites)—ceremony in which a child's first successful hunt is celebrated
Makadekewin (Puberty fast rites)—upon reaching puberty, a child goes through a vision quest to determine path into adulthood
Wiidigendiwin (Marriage rites)—ceremony in which a couple is joined into a single household
Bagidinigewin (Death rites)—wake, funeral and funerary feast
Miscellaneous ceremonies
Jiisakiiwin (Shaking tent)—ceremony conducted by a Shaking-tent seer (jaasakiid; a male jaasakiid known as a jiisakiiwinini or a female jaasakiid known as a jiisakiiwikwe), often called a "Juggler" in English, who would enter the tent to conjure spirits and speak beyond this world.
Bagisewin (Present)—custom at the end of a wedding ceremony in which the bride presents wood at the groom's feet as a wedding present.
Ishkwaandem-wiikwandiwin (Entry-way Feast)—A ceremony performed by women who took a piece of wood out to the bushes to offer it to Gichi-manidoo, and brought something back as well. This ceremony represents the woman's vital place in the household as a homemaker whom asked for blessing from Gichi-manidoo so that the home would be safe and warm.
Teaching scrolls
Called wiigwaasabakoon in the Anishinaabe language, birch bark scrolls were used to pass on knowledge between generations. When used specifically for Midewiwin ceremonial use, these wiigwaasabakoon used as teaching scrolls were called Mide-wiigwaas ("Medicine birch"). Early accounts of the Mide from books written in the 1800s describe a group of elders that protected the birch bark scrolls in hidden locations. They recopied the scrolls if any were badly damaged, and they preserved them underground. These scrolls were described as very sacred and the interpretations of the scrolls were not easily given away. Current theories claim the Ojibwe Nation is possibly descended from the Hopewell People who formed a vast trading network across the North American continent. The historical areas of the Ojibwe were recorded, and stretched from the east coast all the way to the prairies by way of lake and river routes. Some of the first maps of rivers and lakes were made by the Ojibwe and written on birch bark.
"The Teachings of the Midewiwin were scratched on birch bark scrolls and were shown to the young men upon entrance into the society. Although these were crude pictographs representing the ceremonies, they show us that the Ojibwa were advanced in the development of picture "writing." Some of them were painted on bark. One large birch bark roll was "known to have been used in the Midewiwin at Mille Lacs for five generations and perhaps many generations before", and two others, found in a seemingly deliberate hiding place in the Head-of-the-Lakes region of Ontario, were carbon-dated to about 1560 CE +/-70. The author of the original report on these hidden scrolls advised: "Indians of this region occasionally deposited such artifacts in out-of-the-way places in the woods, either by burying them or by secreting them in caves. The period or periods at which this was done is far from clear. But in any event, archaeologists should be aware of the custom and not overlook the possibility of their discovery.
Teaching stones
Teaching stones known in the Anishinaabe language as either Gikinoo'amaagewaabik or Gikinoo'amaage-asin can be either petroglyphs or petroform.
Three creational ages
Ancient
The three creational ages begin with the Ancient age where humanity and animal-life are undifferentiated.
Golden
In the Golden age animals are still humans, but quantitatively different.
Present
With the Present age, animals and humanity are totally differentiated.
Seven prophetical ages
Seven fires prophecy is a prophecy originally taught among the practitioners of Midewiwin. Each fire represents a prophetical age, marking phases, or epochs, in the life of the people on Turtle Island (North America). The Seven fires prophecy represent key spiritual teachings for North America, and suggest that the different colors and traditions of the human beings can come together on a basis of respect. The Algonquins are the keepers of the seven fires prophecy wampum.
Tja...Interessant genoeg voor een artikel hier op QFF in mijn ogen, daarom dus wat aandacht voor de Midewiwin. Hieronder in de comments kan het wat mij betreft verder...
Hallo Quo Fata Ferunt! Mijn naam is "i", en aan de hand van dit eerste epistel van mijn hand, wil ik jullie graag wat meer over mijzelf vertellen. Ik ben dus "i" en ben niet geheel nieuw hier op Quo Fata Ferunt. Mijn gedachtegoed waarde al sinds den beginne hier rond en verkeerde tot op heden altijd in een fijn doch ondoorwaadbaar gezelschap van zielen. Ik zit als "i" verweven in al dat is en toch ook ergens weer niet. Zonder vaag te willen gaan klinken wil ik graag uit proberen te leggen waarom dat zo is.
Ik ben als "i" altijd ergens en overal maar ook nergens en bovenal. Ik ben en dus besta gaat voor mij niet op als zijnde, dat ik nu ben omdat ik besta. Ik besta immers omdat ik nu ben wat ik ben. Wat ik nu ben was ik niet en ergens dus toch ook wel! Ik was wat me maakte tot hetgeen ik nu ben geworden. Als "i" zou je me kunnen zien als het middelpunt van dit universum en van alles dat bestaat! Maar als "i" ben ik ook niets omdat iets ook gewoon weer niets is. Zonder iets is er geen niets! En met niets heb je ook iets!
Ik ben geworden wat ik ben door alles wat ik op mijn pad tegen ben gekomen. Ik zal worden wat ik zal zijn door het geen dat mijn pad zal kruisen. Als "i" was ik de oorzaak van het gevolg, alvorens het gevolg doorhad dat er ook nog een oorzaak aan alles vooraf ging. Als "i" ben ik dus oorzaak maar ook gevolg. Het en / of debacle begint dus bij de gedachtegang dat ik als "i" zowel het een als ook het ander ben. Ik kan het niet zijn! Ik ben het!
Wat is de oerbron van het zijn? Wat is de oorzaak van het bewustzijn dat er voor zorgt dat je aan kunt nemen dat ik "i"ben? Waarom ben ik, was ik en zal ik altijd "i" zijn zoals ik het was, ben en zal zijn? Waarom stel ik als "i" de vragen in een epistel dat bedoeld is als een stuk tekst waarin ik me als "i" aan Quo Fata Ferunt voorstel?
Vragen en antwoorden, aannames en raadsels. En toch ben ik als "i" wat jij diep van binnen nu al denkt dat ik ben. Of toch niet? Misschien ben ik wel die vrouw of dat meisje die morgen als kassière je boodschappen langs de scanner trekt. Of ben ik de man of gozer die jouw hamburgers staat te flippen? Nee joh! Ik ben natuurlijk die vriendelijke 65 plusser die zijn plaats aan jou afstaat als jij de trein, tram of bus instapt! Of ben ik die agent die besluit een oogje toe te knijpen als die jouw auto fout geparkeerd ziet staan tijdens het halen van zijn bonnen-quota? Of toch die schilder die de kozijnen van je sociale huurwoning staat te schilderen?
Als "i" kan ik iedereen zijn! Maar ook niemand! En de reden van dit epistel? Ach, hou het op het feit dat dit de inleiding is naar de volgende deur die wellicht weer zal leiden naar de deur van het broederschap van "i". Een broederschap? Wel, dat is aan U! Jouw aannames, jouw intenties en alles dat jouw vormde zullen bepalen waarheen dit zal gaan! Als je in bent voor een dolle rit en je ziet wat je zou moeten zien, dan kan dit wel eens een erg fijn onderonsje worden tussen jouw innerlijke ik en de innerlijke ik van "i".
En als je niet ziet wat je moet zien, betekend dit niet dat je blind bent. Je ziet echter niet wat je zou kunnen zien als je anders zou gaan kijken. Daar alles in het leven samenhangt met dat wat je leert tijdens je leven, zal niet iedereen op dezelfde wijze een situatie aanschouwen. En dat is maar goed ook, want anders zou iedereen dezelfde "i" kennen. En die gedachte alléén, is voor mij al saai genoeg om maar te besluiten, dat ik het hier nu als "i", voorlopig maar even bij ga laten.
Tot het volgende epistel, tot "i"!!!
- chaos
- qff
- dood
- geschiedenis
- god
- links
- aarde
- geheim
- leven
- broederschap
- zon
- illuminati
- mensen
- sun
- universe
- hemel
- mens
- geest
- rechts
- universum
- broeders
- 666
- maatschappij
- verhaal
- hel
- geheim broederschap
- lach
- leef
- groot
- human
- ikke
- ik
- ikkuh
- ego
- sterf
- emoties
- rust
- verlicht
- klein
- i
- is
- mijn naam
- letter i
- ik ben i
- wie ben ik
- wat ben ik
- wie zijn wij?
- wat zijn wij?
- jij
- zij
- wij
- hij
- de rest kan stikken
- zusters
- super geheim
- ziel
- iwoord
- epistel
- 999
- mirror
- spiegel
- vecht
- huil
Mysteriën Der Oudheid, Magie-3
Vervolg van deel twee .
c: Kleding
Bij magische handelingen was vaak een bepaalde kleding voor geschreven. Apolllonius van Tyana, die zoals wij zeiden, als magiër bekend stond, zou zijn gehele leven linnen kleding gedragen hebben. en de Parijse papyrus 3094 schrijft voor toverhandelingen voor: "draag een sindon (gewaad uit Indisch linnen)". In dezelfde geest spreekt Prokolos als hij zegt, dat de theurgen, die de door hen bezworen god in zich zouden opnemen, velerlei bijzondere gewaden en sierkleden moesten dragen, hoewel hij er niet bij vermeldt, dat dit linnen moest zijn.

Bij de kleding vormden vooral de hoofdbanden een belangrijk attribuut. Ook werd vaak het barrevoets gaan en het hebben van loshangend haar als voorwaarde voor het verrichten van van magische handelingen gesteld, zoals wij bij Philostratos kunnen lezen. Kransen en takken behoorden dikwijls tot de voorgeschreven dracht en De Jong geeft hiervan verschillende voorbeelden. Verder horen wij van wollen draden, bellen, sterren e.d., die eveneens tot de noodzakelijke uitrusting gehoorden. Evenals bij de magie waren ook bij de mysteriën bepaalde gewaden voorgeschreven en Apuleius deelt ons mede, dat hij bij zijn inwijding in de Isis-mysteriën niet minder dan twaalf maal van gewaad moest verwisselen. De in het vorige topic aangehaalde tekst van Artianos is ook sprake van de bijzondere klederdracht, die de hierophant droeg en daarbij noemt hij ook het lint, waarmee deze zijn haren tezamen hield. Uit ander bronnen weten wij, dat de Eleusinische priesters en priesteressen een gewaad droegen van een bepaalde purperen kleur.

Over de mysteriën, zoals die te Andania gevierd werden en die ook aan Demeter gewijd waren, zijn wij, wat de voorbereidingen daarvan betreft, ingelicht door de aldaar gevonden inscriptie, die allerlei bijzonderheden geeft. Zo wordt daarin gezegd, dat bij deze mysteriën de in te wijden kandidaten ongeschoeid moesten zijn en een wit gewaad moesten dragen. Aan de vrouwen wordt voorgeschreven, dat degenen, die geen priesteressen waren, een linnen hemd moesten dragen en de meisjes een kalasiris, een uit linnen vervaardigd gewaad. "Zij dragen gewaden uit linnen van franje voorzien, die kalaris heten: daaroverheen dragen zij witte wollen mantels. Maar in de tempel wordt niets van wol meegenomen en ook niet met hen begraven: want dit geldt als een zonde. Zij komen daarin overeen met de z.g.n. Orphische of Baskische gebruiken, die echter Egyptisch of Pyhtagorees zijn.
(Herodotos meent n.l. zoals eerder gezegd is, dat o.a. Pythagoras de Egyptische mysteriën naar Griekenland bracht): want ook hier is het niet geoorloofd, dat iemand, die aan een zodanige geheime dienst deelneemt, in wollen kleren begraven wordt.")
De vrouwen mochten geen schoenen dragen, behalve dan uit vilt of uit de huiden der offerdieren vervaardigd. Bij de Isis-mysteriën speelde de linnen kleding eveneens een grote rol, naar Apuleius bericht, en Ploutarchos spreekt over gewaden, waarin de Goden gekleed waren en de daarmee overeenkomende kleding, die de priesters droegen. Ook Herodotos spreekt reeds van linnen kleding in de Egyptische eredienst, en voegt er aan toe, dat in de tempel niet van wol meegenomen mocht worden en dat men er de te begraven dode niet in mocht kleden. Hij ziet dus een overeenkomst tussen de tempelriten en de dodencultus. Volgens Apuleius diende het linnen niet alleen als kleding voor de priesters, maar werd het ook gebruikt om de "heilige voorwerpen" te bedekken.
(Apuleius schrijft in zijn Aology (LVI, 1) over wol als uitgroeisel van een log lichaam, geroofd van een dom dier, dat reeds door opheus en Pythagoras voor profane kleding bestemd was; de reine daarentegen verplantte linnen, een voornaam product onder de gaven van de aarde, dat niet alleen diende voor de kleding der heilige priesters in Egypte, maar dat men ook gebruikte om de heilige voorwerpen te bedekken.)
Het loshangende haar, waar Philostratos over spreekt, vinden wij in de Eleusinische mysteriën terug in het voorschrift voor de hogepriester om lang, loshangend haar te dragen. Ook de priesteressen droegen het haar op dezelfde wijze en de inscriptie van Andania bevat het zelfde voorschrift. De volgelingen van Attis droegen bij hun extatische optreden eveneens het lange haar ongevlochten en schudden dit bij hun dans in het rond. Zowel de de mystai als de priesters bekransten zich in de Eleusinische mysteriën met mirre takken en ook bij de Demeterfeesten te Andia droegen de priesters, de priesteressen en, op een bepaald ogenblik, ook de ingewijden kransen. Kransen en takken speelden blijkens de gevonden afbeeldingen (zie afbeeldingen hier beneden) een rol bij de thebaanse mysteriën de Kabeiroi en in de Dionysische mysteriën waren de volgelingen van de God, evenals de door hen gedragen thyrssostaven, met klimoprangen versierd of ook wel met eiken- of dennentakken.

Ook Dionysos zelf werd wel afgebeeld met een krans van klimopbladeren en met een thyrosstaf, die daarmee versiert was.

In Eleusis werden in een bepaald onderdeel van de ritus felgele draden om de rechterarm en de linkervoet van de kandidaten gebonden de ingewijden droegen op Samothrake een purperen band om het middel. Volgens een, vermoedelijk jongere verklaring zou het dragen van deze band een middel zijn geweest om aan de gevaren van de storm te ontkomen, maar ook in andere gevallen verleende de goden hulp aan de ingewijden, die de band droegen. In het scholion op Apollonios wordt bijv. gezegd, dat Agamemmon, die ingewijd was (naar wij mogen aannemen in de Samothrakische mysteriën), toen hij zich voor Troia in een groot tumult bevond, de weerspannige Grieken kalmeren kon doordat hij de purperen band droeg. Kennelijk veronderstelde men, dat hem dit zonder godelijke hulp niet gelukt zou zijn. De band band werd, naar het schijnt, wel door een sluier vervagen, want in het bovengenoemde scholion op Apollonios is sprake van de sluier, die Odysseus volgens Homeros van de godin Leukothea gekregen had om het land der Phaiaken te bereiken, en wordt gezegd: " ... en men zegt, dat Odysseus, in Samothrake ingewijd, een sluier in plaats van een band gebruikt zou hebben". De sluier was overigens een attribuut, dat van veel betekenis was bij de Dionysische, de Eleusinische en de Phrygische inwijdingen, waar de mystes op een bepaald tijdstip gedurende de ceremonie in een sluier werd gehuld.
d: Maskers
Volgens Porphyrios droegen de theurgen, die door bepaalde handelingen en woorden in nadere aanraking met een godheid probeerden te komen om deze tot het verrichten van bovennatuurlijke handelingen te brengen, daarbij maskers, waardoor zij zich het uiterlijk van de betreffende god trachtten te geven. zoals wij al in het artikel Mysteriën Der Oudheid, Leringen zagen, kwam het dragen van maskers ook voor bij de mysteriën.
e: Offers
Bij belangrijke toverhandelingen waren offers voorgeschreven, zowel offers van bepaalde koeken en dranken als dierenoffers, terwijl ook bloed als bezweringsmiddel gold. Geheel dezelfde gebruiken vinden wij bij de oude inwijdingsriten. Bij de Eleusinische mysteriën werden allerlei offerdieren geslacht en verder behoorden bij de offeranden koeken, die o.a. door Clemens van Alexandrië worden genoemd. Op Samothrake zijn offer kuilen gevonden onder de ruïnes van de tempel, hetgeen op de daar bij de mysteriën gebrachte offers wijst, en hetzelfde was het geval in de tempels bij Thebe en te Eleusis. In de genoemde voorschriften van Andania, waarvan de mysteriediensten, zoals gezegd, als een filiaal van Eleusis te beschouwen zijn, worden de offerdieren precies genoemd:
"Men moet aan Demeter een drachtige zeug,
aan Hermas een ram,
aan de grote goden (vermoedelijk de Samothrakische Goden) een jong zwijn,
aan Apollon Karneios een everzwijn,
aan Hagne (Kore) een schaap offeren."
Pausanias deelt over de jaarlijks tweemaal ter ere van Isis gehouden mysteriefeesten te Tithoria in Phokis mee: "De welgestelden offeren stieren en herten, de armen ganzen en parelhoenders; alleen schapen, varkens en geiten zijn als offers niet toegelaten. Het is voorgeschreven, dat de offerdieren, na geslacht te zijn, in het heiligdom gebracht worden, waar ze op een brandstapel worden verbrand, na eerst omwonden te zijn men banden van linnen en byssos (katoen), die op de Egyptische wijze zijn gemaakt". Mischien slaat dit echter alleen op de openbare of semi-openbare eredienst, want Apuleius vermeldt er bij de beschrijving van zijn inwijding niets over. daarentegen staat het offeren bij de Mithras-mysteriën wel vast. Bij de tempels, die voornamelijk voor inwijdingen dienden, zijn overblijvselen gevonden van geofferde dieren, waaruit blijkt, dat runderen, schapen, geiten, varkens en voornamelijk gevogelte vooral kippen, geslacht werden.

ipse missa est
Opgravingen in 1954/55 van een Mithras-tempel onder de St. Priscinakerk (San Clemente) te Rome, hebben wandschilderingen aan het licht gebracht, die een deel der inwijdingen in beeld brengen. Zij tonen o.a. aan, dat daarbij het suovo-taurilia-offer plaats had, want in de voorgestelde optocht, worden achterelkaar een varken, een schaap en een rund meegevoerd.

Naar Porphyrios meedeelt, zou Istros, een geschiedschrijver uit Kyrene, in zijn verzameling Kretenzische offers zelfs bericht hebben, dat de Koureten van oudsher gewoon waren aan Saturnus een kaap te offeren, maar het is niet zeker of dit offer in werkelijkheid geschiedde (hierover meer in een nog te maken topic) . Wat het bericht van Ploutarchos over mensenoffers, die vroeger plaats hadden, betreft, staat het niet vast of deze met inwijdingen te maken hadden. Maar in ieder geval speelde mensenbloed wel een rol bij de inwijdingen. In het voorschrift van Andania lezen wij direct in het begin: "Over priester en priesteressen. De schrijver van de raadsvergaderingen zal degenen, die priester geworden zijn, dadelijk, als hij niet ziek is, bij brandende offers, terwijl zij bloed en wijn offeren, de voorgeschreven eed laten afleggen. Dit zou natuurlijk ook dierenbloed geweest kunnen zijn, maar in iedregeval offerden de priesters bij de Attis Kybele diensten het bloed, dat zij door zwaardwonden aan hun armen onttrokken hadden en de ingewijden castreerden zich zelfs en offerden hun bloed aan de godheden.
f: Gesproken woorden.
Van nog groter belang dan de voorbereidingen was bij de magische handelingen het gesproken woord, meestal bestaande uit magische formules, die vaak in een vreemde taal werden geuit en waarbij de naam van een God vaak bijzondere macht werd toegeschreven. In de mysteriën zien wij weer hetzelfde. Ook daar speelden de legomena, de gesproken woorden, een grote rol en er scheen vooral aandacht geschonken te wordenaan de wijze, waarop zij uitgesproken werden. Dit blijkt onder andere uit de woorden van Arrianos die de nabootser der mysteriën verweet, dat hij niet de juiste stem van een hierophant had.
"Mens, wat doet ge anders dan de mysteriën ontheiligen door te zeggen: In Eleusis is een tempel, hier ook. Daar is een hierophant, ik zal ook een hierophant voorstellen. Daar is een fakkeldrager, hier zal er ook één zijn. Fakkels zijn daar en hier. Wat men uitroept is daar en hier hetzelfde. Waarin verschilt dan hetgeen daar gebeurt van hetgeen hier geschied? Spotten met de godsdienst, is er geen verschil? Zijn dezelfde dingen nuttig op de verkeerde plaats en op de verkeerde tijd? Neen, zoiets gebeurt, nadat men heeft geofferd en gebeden, zich rein heeft gemaakt en bovendien zich in een bepaalde stemming heeft gebracht, waarna men tot een heilige handeling, een zeer oude handeling komt. Zo alleen worden de mysteriën heilzaam, zo alleen krijgen wij de voorstelling, dat door het voorgeslacht dit alles ingesteld is ter opvoeding en verbetering van ons leven. Maar gij brengt de mysteriën op straat en ontheiligt ze op een ongeschikte plaats, zonder reiniging, zonder offers; gij hebt niet de kleding, die een hierophant moet hebben, noch de band om het hoofd, noch de stem, noch de leeftijd van hem; gij hebt u niet gelijk hij deed, rein gemaakt, maar gij hebt alleen dezelfde uitroepen, die gij eens hebt opgevangen. Zijn dan die uitroepen op zichzelf heilig".
Niet alleen werd waarschijnlijk bij de dramatische opvoeringen of pantomimes gesproken, maar kende men ook formules en uitroepen, waar men blijkbaar een bepaalde uitwerking van verwachtte. Zo werd op de laatste dag van het Eleusinische inwijdingsfees een wateroffer gebracht, waarnaar die dag een plemochoai gekregen had. Het was misschien bij deze gelegenheid, dat de mystai, naar de hemel ziende: "Hye" riepen en naar de aarde ziende: "Kye", zoals ons door Prokolos wordt verteld. Van de zelfde schrijver horen wij ook, dat deze twee woorden eveneens bij de huwelijksvoltrekking gebruikt werden Hippolytos deelt ons iets dergelijks mede. (Weerlegging, V, 7, 34: "Dit is, heet het, het grootste en onuitsprekelijke geheimenis der Eleusinische mysteriën: Hye kye, en het heet, dat aan hem alles ondergeschikt is. "Hippolytos ziet er dus blijkbaar de naam van een God in.) Wij komen hierop bij het bespreken der Eleusinische mysteriën nog nader terug. Een andere ons overgeleverde, maar vermoedelijk verbasterde en in ieder geval raadselachtige formule is "Kogx Ompax", die aan het slot der Eleusinische wijdingen gebruikt zou zijn. (Dieterich, Eine Mithrasliturgie 39a en 216. Volgens hem is de betekenis van deze woorden niet na te gaan en vermoedelijk zijn ze aan een vreemde taal ontleent en verbasterd)
word vervolgd
bron: De mysteriën der oudheid en hun inwijdingsriten F.E. Farwerck
