Baldur.
De andere zoon van ODIN en FRIGGA, werd BALDUR,
ook balder, geheeten. Hij is het beeld der
hoogste goedheid en mannelijke schoonheid, daarenboven
de god der welsprekendheid en der regterlijke
vonnissen. Hij is de wijsste en zachtaardigste aller
Asen, en de god des vredes is zijn zoon. Helder
schitterend, in den glans der lelie, treed hij daarheen;
want hij heeft witte, helder schitterende lokken,
zoo zelfs, dat de witste bloem van het noorden,
niet witter zijn kan, en dat men hem, den onschuldigen,
ter eere, de schitterendste bloem, baldursbra,
BALDUR'S wenkbraauwen, gewijd heeft.(*) Uit deze
bloem — voegt de Edda er bij — kan men nopens de
schoonheid van zijn haar en voorkomen besluiten. Hij
draagt ook den bijnaam van den goeden, en heeft in
zijn gevolg de eigenschap, dat niemand zijne oor-
(*) Deze plant, de Matricaria. maritima, die op IJsland en
de Ferro-eilanden Baldursfra heet, wordt in de Edda de
schoonste aller kruiden genoemd .
deelvellingen veranderen kan. Zijn broeder is HERMODE,
die, met helm en pantser gewapend, wegens
zijne snelheid, de bode der goden genoemd wordt.
Beide deze broeders, BALDUR en HERMODE, worden
ook wel de gebroeders alses geheeten, die men als
de vredelievende, eenige en schoone broeders voorstelde,
waarvan KLOPSTOCK elders zegt:
»De tweelingsbroeders Alses griften,
»In rotsen U de wet der heil'ge vriendschap."
Zijn innig geliefde gemalin heette NANNA, bij wie hij
de Ase forsete had: met haar bewoonde hij, als een
voorbeeld van alle huwelijksdeugd en huwelijkstrouw,
de vreedzame en goud-glanzige woning Breidablik,
(veruitzigt), de zevende hemelburgt, welke als de
reinste en schoonste woning in Asgard bekend is:
daarvan heet het:
»Breidablik is de zevende
»Daar nu heeft BALDUR,
»Zich zijne woning gemaakt; .
»In den lande,
»Waar ik weet liggen,
»De minste onreinheid.";
BALDUR was, volgens de Edda- dichters: »de band
in den schoonen krans van Walhalla. '' Er kon
den Asen dus niets erger overkomen, dan zijn
dood, die, naar de voorspelling, den Ragnarokr of de
godenschemering moest bevorderen of verhaasten. Dezen
dood berokkende de listige LOKE, door BALDURS
tweeden broeder, den blinden HÖDUR, het eenige
wapen, dat hem doodelijk treffen kon, in handen te
geven.
De Mythe van dezen noodlottigen dood, moge
wegens deszelfs belang in de Noordsche Mythologie,
hier vooral eene plaats vinden, zij luidt volgens de
Gijlfa-ginning aldus:
» BALDUR werd door vele en verschrikkelijke
voorgevoelens verwittigd, dat zijn leven in gevaar
was.
De goden hielden daarover raad, en zij besloten
om de godin IDUNA, met HEIMDAL en LOKE,
naar de benedenwereld te zenden, ten einde hen, met behulp
van tooverkunsten, de noodige middelen ter verhoeding
van dit ongeval te laten uitvorschen. Dit geschiedde:
IDUNA ontving eene wolfshuid, welke tooverkracht
bezat; zij begaf zich daarmede naar Niflheim,
doch viel, zoodra zij daar aangekomen was,
in eenen diepen slaap. Zij nu was in dien toestand
onvermogend om iets vooruit te zien, zij sprak niets,
maar weende hevig. Na deze mislukte poging gingen
LOKE en HEIMDAL met haar naar Walhalla terug,
en hunne terugkomst veroorzaakte den goden eene
nieuwe droefheid. Toen besloot ODIN, zelf te handelen.
Hij zadelde zijn vlugge ros Sleipner, en reed
regtstreeks naar het doodenrijk. Een hond uit de hel
ontloopen, op de borst en om den grijnzenden snuit
met bloed bevlekt, kwam hem tegen; hij blafte
vreesselijk, tegen den vader van het gezang, en
spalkte zijnen muil wijd open. Maar ODIN reed
verder, en kwam aan het paleis van HELA, waarin
prachtige zitplaatsen bereid waren, en gouden bekers
op de tafels stonden, als of er een feest gevierd
werd.
Ten oosten van den ingang lag eene völa in den
heuvel begraven; ODIN reed derwaarts, zong tooverliederen,
wierp runen en bezwoer de doode, dat
zij zich onweerstaanlijk uit het vervallen graf oprigtte,
en aan ODIN, die zich Veitam (reiziger) noemde,
antwoord gaf op al zijne vragen. Het lied van ODINS
Helavaart luidt aldus:
ODIN verhief zich
De koning der menschen!
Hij besteeg zijn ros
En reed naar beneden,
Naar HELA'S burgt,
En HELA'S wachter
De hond sprong hem tegen:
Zijn borst was bebloed;
En hij sperde den muil op,
En baste hem aan;
En van zwadder droop
Zijn dreigend gebit.
En ODIN reed verder,
En de aarde trilde!
Daar stond voor zijne oogen
De burgt van HELA ,
En hij wendde zich oostwaard,
Naar HELA'S poort,
Waar diep begraven
De waarzegster lag.
En toovergezang
Dat dooden kon wekken,
Begon hij te zingen
Naar 't Noorden gewend,
En met runen bezweert hij
De grafbewoonster
Tot zij toornend rijst
En antwoord murmelt: enz.
Doch eindelijk had zich ODIN in ééne uitdrukking
verraden; de völa herkent hem, en zonk met
eene bedreiging terug in het graf.
ODIN kwam onverrigter zake weder in Walhalla terug,
Hij was vernederd, had de feestelijke toebereidselen
gezien, die hela reeds voor de ontvangst van BALDUR
had gemaakt. Men kon dus nog slechts het uiterste beproeven,
om den goeden BALDUR te redden. Aanstonds
nam FRIGGA alle elementen en voorwerpen der
natuur eenen eed af: vuur, water, ijzer, allerlei
metalen : steenen, de aarde, hoornen, ziekten,
dieren, vogelen, vergiftige slangen moesten zweren,
BALDUR geen leed te zullen doen; slechts de loot
van eenen boom, de Misteltein, die op een klein eiland
groeide, werd door frigga voor te onbeduidend gehouden,
en nog onrijp voor den eed.
De goden stelden zich nu gerust, werden kampspelen
ter eere van BALDUR, schoten op elkander, en kozen
inzonderheid BALDUR, die nu voor geheel onkwetsbaar
doorging, lot het doelwit hunner wapenen. Intusschen
trok LOKE den tak Misteltein uit de aarde, maakte er
eene ijzeren punt aan, en ging heen om den blinden
HÖDUR dit wapen in de hand te geven, opdat ook
hij aan de gemeenschappelijke vermaken aandeel mogt
nemen. De anders doodelijke pijlen, werp- en
zwaardhouwen der goden, stuitten thans magteloos
van den ongewapenden BALDUR terug. LOKE bewoog
den eenzaam staanden HÖDUR zeer gemakkelijk, om ook
naar BALDUR te schieten. Hij rigt hem de hand, HÖ-
DUR werpt, en— BALDUR zinkt doorboord ter aarde.—
Dit, zegt de Edda, is het allergrootste ongeluk,
dat goden en menschen getroffen heeft. De Asen
verloren al hunne tegenwoordigheid van geest, de een
zag den anderen aan, en allen ademden wraak
tegen den dader. Maar dewijl het op eene heilige
vrijplaats was, konden zij niet onmiddelijk hunne
wraaklust bot vieren. Wel wendde men vele pogingen
aan om BALDUR uit het dodenrijk te ver-lossen,
doch te vergeefs. —
Intusschen werd BALDUR'S lijk op zijn schip
Hringhorni gebragt, waarop een brandstapel opgerigt
was; de Asen wilden het in zee stooten, om
het lijk daarop te verbranden, maar het was niet
van de plaats te krijgen. Toen moesten de goden,
om het schip los te maken, hunne toevlugt nemen
tot hunne vijanden, de thans dubbel gehate reuzen;
zoo zwak zijn de goden en zelfs thor, nadat BALDUR
hun ontroofd is.
Op verlangen der Asen kwam eene reuzenvrouw,
met name HIJRROKIN. Zij reed op eenen met
slangen opgetoomden wolf. Toen zij afsteeg, gebood ODIN
vier Berserkers (kampvechters) om den wolf vast
te houden; dit werk kostte hun veel moeite. HIJRROKIN
ging naar den voorsteven, en schoof in eenen
stoot het schip zoo, dat achter op de ondergeplaatste
rollen vuur omhoog sloeg en het gansche land
beefde. THOR werd toornig en wilde de reuzin met
zijnen Mjölner ter neder vellen; want hij meende,
dat zij niet zoo sterk zoude gestooten hebben, zoo
niet de vreugde over BALDUR'S dood hare krachten
verdubbeld had. Doch de andere goden bevredigden
hem. Terwijl nu het brandende schip op de
ruime zee dreef, kon NANNA, BALDUR'S gade, dit gezigt
niet langer verdragen, zij stierf van droefheid,
en werd ook op den brandstapel gelegd, thor stond
er bij en wijdde den brandstapel met den Mjölner,
Voor zijne voeten liep een dwerg, LITUR genaamd,
THOR schopte dezen met zijnen voet in de vlammen
en hij verbrandde daarin. Ook BALDUR'S paard werd
met zijnen heer verbrand. ODIN leide den gouden
ring Draupner in het vuur, en eerst in dien tijd,
zoo heet het in de jongere Edda, ontving hij de eigenschap,
dat acht even schoone ringen eiken negenden
nacht daarvan afdropen.
BALDUR was alzoo gevallen, en het verschrikkelijke
noodlot bevredigd; maar ook onvermijdelijk is thans
de val of ondergang der Asen zelven, of zoo als de
Edda zich uitdrukt, de godenschemering of Ragnarokr;
wel kunnen zij die uitstellen, maar eenmaal
breekt die zekerlijk aan.