Geestenleer.
De Nornen.
Norner of Nornar , waren de dienaressen van
ALFADUR, die als »de eeuwige dochters des heiligen
voortijds" reeds bestonden, vóór dat nog de wereld
was. Zij zijn de drie groote, ernstige en verhevene
godinnen des tijds en des noodlots, die over alles
en allen beschikken, en wier wijsheid de goden
dikwijls zelven trachten te doorgronden.
Deswegens werden zij ook hoogelijk vereerd, men
bouwde haar tempels, waarin men haar omtrent het
noodlot ondervraagde. Zij bepalen alles naar onveranderlijke
wetten: hare uitspraak over het leven en
de lotgevallen der stervelingen is onveranderlijk.
Men ziet alzoo, dat de leer der Nornen vele overeenkomst
heeft.met die der schikgodinnen der
Grieken en Romeinen; doch de dichting der Nornen
is veel schooner en ook dieper opgevat dan die
der schikgodinnen.
Volgens de Edda wordt, namelijk, de geheele
ouderdom der wereld in drie tijdperken verdeeld,
en aan iederen mensch zijnen bijzonderen leeftijd,
zijn lot, ouderdom, geluk of ongeluk in deze wereld,
naar deze drie hoofdtijdperken uitgedeeld en
toegemeten. Aldaar wordt dan het lot van iederen
mensch, deels door ALFADUR onmiddelijk, en volgens
heilige, hem alleen bekende wetten bepaald,
en deels in den Askungar-boom (den esch Ygdrasill
) door de Nornen gegrift.
Zij zijn het, die den raad der goden, omtrent
het lot en leven van den mensch bepalen, en die,
door hare dienaressen, behulpzaam of bestraffend, op
den mensch werken.
Hare namen zijn:
a. URDA of URD, de oudste onder hare
zusteren, De bron des tijds onder Ygdrasills
wortelen, wordt naar haar Urdar-bron
geheeten. Zij is de Norne van het verledene,
gewordene, en behoort, volgens de jongere
Mythe, tot het reuzengeslacht (het oudste van
alle geschapene wezens).
b. VERANDI of werandi behoort tot de Asen, en
is de Norm van het wordende, tegenwoordige,
zij beheerscht alzoo het leven en de
werkelijkheiil.
c. SKULDA of SKULD, is de Norne der
toekomst, en behoort tot het geslacht der
Wanen, omdat deze na den ondergang der
wereld overblijven.
Haar gemeenschappelijk verblijf is eene schoone
grot aan de Urdar-bron, onder den esch Ygdrasill.
Daar griften zij de runen des onveranderlijken noodlots
op schilden, en verzorgen den boom des levens,
waaraan hare eigene bestemming verbonden is. Zij
bevorderen deszelfs wasdom, doordien zij hem met
het heilig bronwater begieten; dit wonder-water
is zoo heilig, dat al, wat daarin valt, zoo wit
wordt, gelijk de huid of het vlies in eenen eijerdop,
De Völa leert ons, dat zij voorwetend en rijk
aan kunde zijn, dat zij
Wetten geven
Levenden kiezen
Den wil des noodlots
Der wereld kond doen,
Zoo beheerschen zij, met onveranderlijke besluiten,
goden en menschen; en zijn, hoewel zelven
eeuwig onveranderlijk; evenwel de oorzaak van alle
tijdelijke en eeuwige veranderingen: — oorzaak,
werking en gevolg, van al, wat bestaat.
Daar nu een blik op het menschelijke leven leerde,
dat niets belangrijker is dan zijn begin, niets
bedenkelijker dan zijn einde: zoo moesten de Nornen
of schikgodinnen van het noorden, ook geheel
bijzonder over geboorte en dood waken. De verhevene
leer der Nornen splitste zich diensvolgens voor
elken mensch in het geloof aan beschermgeesten.
Zoo ontstonden Fylgien, Filgiur, beschermgodinnen
bij de geboorte; eene soort van noordsche
féen, die de menschen vergezellen van het eerste
oogenblik van zijn aanwezen, die bij de geboorte
worden aangeroepen, en daarbij de gouden draden
van zijn lot spinnen, en dezelve vasthechten onder
»de zale der maan" of den hemel. Boos en goed
na zijn deze fylgien, troetel- en strafgodinnen tevens.
Somtijds rijden zij op wolven en hebben
slangen-toomen, en wanneer zij eene zigtbare gedaante
aannemen en zich laten zien, dan gelooft de
mensch, dat zijne booze Fylgie hem verschenen is, en
hij verwacht den dood.
Hamingiën, heeten zij, als zij des menschen goede
lotgevallen voorslaan. Als zoodanig verhinderen
zij zelfs den zelfmoord, wanneer die niet over den
mensch besloten is.
Dysen, Spádysen zijn beschermgeesten van geheel
algemeene natuur;
Thrudar, Druden, krachtgeefsters, die insgelijks
daartoe behooren, en
Foryniën, wegwijzeressen, die echter zeldzamer
voorkomen,
Spadysen zijn toovergeesten, die omtrent 's
menschen lotgevallen onderwijzen,
Alle deze wezens nu, die men ter onderscheiding
bescherm-nornen zoude kunnen heeten, dragen m
enkele noordsche gedenkstukken insgelijks den naam
van Nornen; doch evenwel in eenen zeer beperkten
zin. Echter heeft deze omstandigheid tot menige
misvatting aanleiding gegeven, waardoor de leer
der drie Urdarnornen of hoofdnornen, meermalen
is verminkt geworden; gelijk ook van eenen anderen
kant de doodsgodinnen zeer naauw verwant zijn
met, maar toch verschillen van