Naar het schijnt hadden ook de priesters der oude erediensten, althans wat sommigen daarvan betreft, gegevens over hun mysteriën te boek gesteld
Manethon (II, 197), een Egyptische priester uit de tijd van Polemaios Philadelphos schrijft hierover: ".... de gelukkige ingewijden, die de orgiën kennen, die in de verborgen boeken zijn opgetekend, welke niet alle stervelingen het recht hebben te kennen".
Elders (Egyptica, frg 16) zegt hij iets in dezelfde geest: "de V
e(5e) Dynastie bestond uit zeventien koningen van Memphis, die tot een afzonderlijke koninklijke linie hoorden behoorden. De derde van deze koningen, Suphis, was de bouwer van de grote piramide, die Herodotos aan Cheops toeschrijft (Herodotos, II, 129,gebruikt deze naam voor de Egyptische Khefu of Khufu). Suphis gedroeg zich hovaardig tegen de goeden; als boetedoening stelde hij het 'heilige boek' samen. De Egyptenaren geloven daarin een grote schat te bezitten."
Mogelijk heeft dit op dezelfde boeken betrekking, die hij in zijn voorgaande mededeling noemt. Ploutarchos (over het gelaat der maan, XXVI) spreekt over een eiland in het westen van de oceaan, waarvan een daar vandaan komende vreemdeling vertelde. "Alle avonturen, die hem overkomen waren en alle landen, die hij bezocht had, hoe hij de heilige schriften gezien had en ingewijd was in alle mysteriën, het zou meer dan een dag vereisen omdat neer te schrijven, zoals hij dit met alle bijzonderheden vertelde. Luister nu naar die, welke met ons onderwerp te maken hebben.
Hij verbleef lange tijd in Karthago ...... Hij ontdekte daar bepaalde heilige documenten, die in het geheim weggebracht waren toen de oudere stad verwoest was en lang in de grond gelegen hadden; en zei dat wij van alle Goden, die verschijnen, de maan het meeste moesten vereren."
Al worden de heilige schriften hier in één adem met de inwijdingen genoemd, is het natuurlijk mogelijk, dat zij niet of niet uitsluitend over de mysteriën handelen. Duidelijker is de geneesheer Claudius Galenos uit Pergamon (De simpl. medicam. temper. ac facult., VII Prooemium, ed. Kuhn, deel XII, blz 2), die zegt "....... en dit is niet verwonderlijk, want enige de niet-ingewijden hebben het gewaagd de boeken de mysteriën te lezen. Maar zij, die deze boeken geschreven hebben, deden dit niet voor profanen."