Alchemy - Sacred Secrets Revealed Part 1/8
RJ8TNCYtTV4
De geschiedenis van de alchemie is nauw verweven met die van de zogenaamde geheime genootschappen uit de Europese Middeleeuwen .Het geheim zijn van deze groepen was ten dele een politieke noodzaak: hun enige overlevingskans.Hun leringen brachten bevrijding met zich mee van valse opvattingen en van vantevoren vastgelegde schemata.Zouden deze leringen openlijk verkondigd worden, dan zouden zij tegenwerking van de gevestigde Kerk hebben opgewekt.
Ten dele ook is de geheimzinnigheid, zoals we al gezien hebben, inherent aan de aard van het werk van de scholen van innerlijke transformatie. Het is de geheimzinnigheid van een technische taal, en niet die van een poging om politiek of commercieel voordeel te behalen, hoewel dit nu juist wel de beschuldiging was die tegen hen werd ingebracht.
De geheimzinnigheidsfactor maakt het moeilijk om de geschiedenis van deze psychologische scholen met enige precisie te reconstrueren. Met name aangezien veel van de informatie aangaande hen afkomstig is uit de hen in kwaad daglicht stellende verdraaiingen van kerkelijke bestrijders. Het schijnt echter redelijk zeker te zijn dat gedurende de hele periode dat Europa beheerst werd door de macht van de Kerk, deze scholen van de psychische transformatie bleven opkomen. Tot op welke hoogte er een ononderbroken continuïteit in de traditie bestaat, die steeds weer in verschillende vermommingen optreedt, of tot op welke hoogte er nieuwe leringen werden geformuleerd in begrippen uit oude, semi-mythische bronnen, om zo hun acceptatie te vergemakkelijken, valt moeilijk te zeggen.
De alchemisten -en andere groepen - neigden ertoe de nadruk te leggen op het feit dat hun leringen dezelfde waren als die van de oude wijzen: de eerste leraar was altijd Hermes Trismegistos, een Egyptische ingewijde die de Egyptenaren identificeerden met Thoth, de schrijver van de goden, en die de Grieken gelijk stelden met Hermes, de bode der goden.
Talrijke werken van anonieme, middeleeuwse in het Latijn schrijvende alchemisten werden aan Hermes toegeschreven. Andere wijzen uit de Oudheid die door de alchemisten worden genoemd als ingewijden in hun traditie, waren Salomo, Pythagoras, Socrates, Plato en Anaxagoras; uit de Middeleeuwen Avicenna, Albertus Magnus, Roger Bacon, Raymond Lully en anderen.
Het patroon dat in deze tradities valt op te merken, is het volgende: aanvankelijk wordt er een school of groep van ingewijden gesticht, die de technieken van de transformatie leert en de daarmee samenhangende kennis van psychofysiologische constitutie van de mens. Rond een kern van meestal anonieme leraren groeit er een gemeenschap of broederschap die, om de leringen van voorbeelden te voorzien en een uiterlijke vorm te geven, en tegelijkertijd om zich de materiële middelen te verwerven voor het dagelijks levensonderhoud, zich toelegt op de een of andere kunst of wetenschap.
Zo waren de vrijmetselaars oorspronkelijk een groep ingewijden die tevens meester-architecten en bouwkundigen waren, en die tevens de wetten van de geometrie en van de verhoudingen en aard van materialen bestudeerden om daarmee tempels te bouwen die het bewustzijn zouden inspireren en verhogen, zelfs van diegenen die niets van hun doeleinden af wisten. Anderen zoals de rozekruisers en de Broederschap van het Gouden Kruis specialiseerden zich in de natuurwetenschappen en bestudeerden de werken van God en de Natuur in de kosmos (astrologie) en in de samenstelling van de materie (alchemie).
Nog weer anderen onderzochten de kruiden en de farmacologie en ontwikkelden nieuwe benaderingen van de medicijnen en de geneeskunst . Zo ontwikkelde de 17 eeuwse Duitse alchemist Paracelsus als eerste de idee van de chemische specificiteit, nog steeds een van de hoekstenen van de moderne therapieën. De orde van de Tempelieren, waarschijnlijk begonnen door een groep adepten uit de militaire stand als een poging om de militairen te bekeren tot een spirituele oriëntatie, kanaliseerden hun uiterlijke activiteiten tot handels- en culturele uitwisseling, en brachten veel materiële en wetenschappelijke rijkdommen naar het Westen uit de Arabische en Griekse wereld.
Onder de huidige wetenschapsmensen is de algemeen aanvaarde visie op de alchemisten, dat zij betreurenswaardig verslingerd waren aan het nutteloos en bijgelovig zoeken naar een manier om goud te maken, hoewel deze onderzoekers de verdienste hebben dat zij het pad gebaand hebben voor de ontwikkeling van de moderne chemie. Dit ondanks de herhaalde en nadrukkelijke mededeling van de alchemisten dat aurum nostrum non est aurum vulgum, 'ons goud is niet het gewone goud'; en dat 'ons' kwikzilver niet het gewone kwikzilver is. Zo zegt de anonieme auteur van een alchemistisch traktaat getiteld 'Een Open Toegang tot het Gesloten Paleis van de Koning': 'Ik heb gesproken over kwikzilver, zwavel, het vat, de behandeling etc. - en natuurlijk moeten al deze dingen met een korreltje zout genomen worden, u moet begrijpen... dat ik metaforisch gesproken heb; als u mijn woorden letterlijk neemt, zult u niet oogsten.'
Hier, en trouwens ook elders, wordt duidelijk gezegd dat de chemische terminologie van de alchemisten een metafoor is voor het innerlijk werk, het opus, van de psychische transformatie. De omzetting van 'lage metalen' in 'goud' is de omzetting van de psychofysiologische elementen in de mens van een onzuivere, geblokkeerde staat naar een zeer gevoelige staat van ontvankelijkheid voor hoogfrequente energie. De edele metalen worden beschouwd als de meest ontwikkelde leden van het minerale rijk; analoog betekende dus 'goud maken' door 'onze kunst', zichzelf maken tot een hoger ontwikkeld lid van het menselijk rijk.
En dit was geen exclusieve, separatistische onderneming: wanneer de alchemisten zeggen 'ons goud', bedoelen zij niet ons i n tegenstelling tot jullie, maar het goud in ons, tegenover dat van de edelsmeden. In de geschriften van de alchemisten is er een intense, bijna schrijnende ambivalentie tussen hun verlangen om de waardevolle kennis en de kunst die zij geleerd hebben te delen, en de wetenschap dat dit slechts in zeer beperkte mate mogelijk is, omdat het voor de kunst zowel als voor het individu niet zonder gevaar was als bepaalde informatie voortijdig in verkeerde handen terecht kwam. 'Want de zaak is zo glorieus en prachtig dat zij niet aan iemand volledig doorgegeven kan worden, tenzij langs mondelinge weg.'
De echte alchemistische adepten waren er zich natuurlijk wel van bewust dat hun leringen verdraaid en misbruikt werden door charlatans die claimden dat zij tastbaar goud konden maken en zodoende een slaatje sloegen uit de hebzucht van de onwetenden. Zij stelden deze opsnijders en snoevers aan de kaak, die beweerden dat zij de metalen konden 'vermenigvuldigen'; en wezen er, zeer logisch, op dat als deze bedriegers werkelijk goud konden maken, dat zij het dan niet rond zou den lopen bazuinen en de 'goedgelovigen het geld uit de zak klop pen ' Maar zij protesteerden voor niets, en de slechte naam die de alchemie heeft gekregen door de activiteiten van bedrieglijke imitators, heeft ze ook nu nog.
Hoewel de moderne wetenschap de alchemisten er van beschuldigt dat zij geld probeerden te maken, en gelooft dat zij een exacter en vollediger kennis heeft verkregen door de wetenschap om de wetenschap te dienen, is dit in werkelijkheid een vertekend en geïdealiseerd beeld.
Het merendeel der moderne geleerden werkt voor de industrie of de staat, voor geld; de bepaling van doel en zin van wetenschappelijk onderzoek wordt dikwijls overgelaten aan de politici en zaken mensen. Derhalve zijn de onderzoekingen van chemici en fysici, oorspronkelijk door de alchemisten begonnen als een hulp bij de evolutie van de mens zelf, ver verwijderd geraakt van deze doelstelling. Chemie gebruiken om geld te maken, waarvan de alchemisten beschuldigd werden, is nu juist wat de moderne chemici en hun schutspatronen in feite doen. Tegenwoordig heeft de studie van de alchemie een nieuwe impuls gekregen dankzij het werk van Carl Jung.
In zijn autobiografie vertelt Jung hoe hij gedurende een aantal jaren in het midden van zijn leven blootgesteld was aan een 'confrontatie met het onderbewuste', dat wil zeggen beelden, dromen en fantasieën die zowel erg vreemd als erg sterk waren, kwamen onwillekeurig in zijn bewustzijn op. Hij had een droom waarin hij; het gevoel had dat hij 'gevangen was in de zeventiende eeuw'. Spoedig begon hij te merken dat de 'analytische psychologie op een eigenaardige manier samenviel met de alchemie.' De droomsymbolen en beelden die hij tegenkwam, hadden talrijke parallellen in de alchemistische literatuur. Deze ontdekking was uiterst belangrijk voor Jung, omdat ze hem erop wees dat zijn psychische ervaringen niet alleen maar persoonlijk-subjectief waren, maar collectieve, historische antecedenten hadden. Jung had geen leraar buiten zichzelf noch mede-onderzoekers bij wie hij zijn ervaringen kon verifiëren en hij; bevond zich in een uiterst geïsoleerde positie zonder enige uiterlijke bevestiging.
Daarom beschouwde Jung zijn onderzoek naar de alchemie als dat wat zijn psychologie 'zijn plaats in de werkelijkheid gaf en (haar) plaatste op haar historisch fundament.'
Jung deed pionierswerk voor de erkenning van het belang van de alchemistische traditie en haar voortdurende relevantie voor de queeste van de moderne mens, op zoek naar inzicht in zichzelf en individuatie, maar toch was hij niet in staat uit de rol van wetenschapsman te stappen.
'Ik werkte langs de filologische lijnen alsof ik het raadsel van een onbekende taal probeerde op te lossen.' De concrete experimentele praktijk van de kunst van de alchemie ontging hem, omdat deze zoals de alchemisten zelf zeggen, alleen geleerd kan worden via het gesproken woord, via een leraar. Op deze manier is Jung, ondanks zijn oprechte en taai volgehouden inspanningen op het terrein van de wetenschap, in de val van de intellectuele benaderingswijze gelopen, n l . deze dat men aanneemt dat verstandelijke kennis het ware verstaan is. Vandaar dat hij de alchemisten beschuldigt van een 'ongelooflijke naïviteit', als zij hun 'fantasieën' projecteren in de materie; hoewel de contradictie tussen deze naïviteit en de grote psychologische wijsheid die hij in hen prijst, hem schijnt te ontgaan.
Iets dat slechts een projectie van fantasieën in materie zou zijn, zou het geen duizend jaar hebben uitgehouden noch zo'n diepe invloed hebben gehad op alle gebieden van het Europese leven en de cultuur. Jungs blinde vlek ten aanzien van de rol van het lichaam leidde ertoe dat hij; niet inzag dat de transmutatie van substanties plaatsvond in het psychofysische organisme; zelfs zag hij dit niet in als de alchemisten dit uitdrukkelijk zeiden.
Bijvoorbeeld, als Paracelsus zegt: 'De microkosmos in zijn innerlijke anatomie moet door weerkaatsing gesmolten worden tot aan de hoogste graad van reverberatie,' dan interpreteert Jung dit als: 'Terwijl de ambachtsman de chemische substantie in de oven verhit, ondergaat hij; zelf, moreel, dezelfde vurige marteling en zuivering.' ' Maar Paracelsus verwijst nogal letterlijk naar een werkelijk proces: de opvoering van de mate van vibratie van structuren in de 'innerlijke anatomie', door middel van 'vuur' ('reverberatie' is 'ontbranding'). Het is niet zo maar een 'projectie' van een 'morele' purificatie, of een 'onderbewust identisch worden' met een proces dat zich buiten de persoon om in een oven voltrekt.
Wellicht kan dit verschil in interpretatie het best duidelijk gemaakt worden met een persoonlijke ervaring. Kort nadat ik begonnen was de Yoga van het Vuur te bestuderen, welke veel gemeen heeft met het alchemistisch werk, onderbrak ik een yoga-sessie om voor mijzelf een kop thee te zetten. Terwijl ik in de keuken zat te wachten tot het water kookte, ging ik verder met het werken met het 'vuur'. Spoedig werd ik mij bewust van het geluid van het water dat heter werd. Ik probeerde de hitte van het innerlijk vuur te vergroten en onderwijl ontstond er plotseling spontaan een verbinding tussen de innerlijke en de uiterlijke verhitting. Toen het water het kookpunt bereikt had, greep er innerlijk een duidelijke discontinue energieverandering plaats, die ik subjectief als een soort opluchting onderging. Met andere woorden, de verhitting buiten mij gaf een soort steun aan het innerlijk werk, verwant aan de rol van de mandala bij visuele meditatie. Er was hier geensprake van projectie van beelden of identificatie; ik was mij volkomen bewust van de twee processen en het verschil tussen beide.
Deze ervaring bracht mij op de gedachte dat wanneer de alchemisten werkelijk fysische apparaten gebruikten bij hun experimenten, wat niet noodzakelijkerwijs erg dikwijls het geval hoefde te zijn, dat zij dan misschien met dit type procedure werkten. Het kan zijn dat zij laboratoriumanalogieën van innerlijke transformatieprocessen in elkaar zetten, en deze analogieën gebruikten als steun bij hun innerlijk werk. In de tekst die getiteld is: 'De Sofistische Hydroliet, of de Water-Steen van de Wijze', staat een passage die op deze procedure schijnt te slaan: 'Wij bemerkten dat bij onze chemische operatie de regeling van het vuur en het zeer geduldig en zorgvuldig temperen van de hitte, van het grootste belang was... wij spraken ook van het "vuur van de Wijzen" als een van de belangrijkste machten in ons chemische proces, en zeiden dat het een essentieel, bovennatuurlijk en Goddelijk vuur was, dat het verborgen lag in onze substantie, en dat het tot actie aangezet werd door de invloed en hulp van het uiterlijke, materiële vuur.'
Een andere auteur maakt zorgvuldig een onderscheid tussen de 'waarlijk geheime oven, die geen gewoon oog ooit gezien heeft' en de 'alledaagse oven, gemaakt uit pottebakkersklei.' Een van de essentiële vereisten voor de laatste was dat 'je er een vuur in moet kunnen aanhouden, gedurende 10 of 12 uren, zonder er naar om te zien'; dit suggereert dat het gebruikt werd als uiterlijke steun voor het innerlijke of 'levende vuur' dat brandt in 'ons vat'.
De alchemisten waren in de eerste plaats adepten en in de tweede plaats natuurwetenschappers. Dat wil zeggen, dat hun doel en bedoeling en voornaamste onderneming de evolutionaire transformatie van het totale wezen van de mens was. Hun methoden werden geleerd in het directe contact tussen leraar en leerling. Maar zij geloofden tevens dat, aangezien de mens een macrokosmos is, de processen die zij innerlijk waarnamen en bestudeerden, ook buiten hen, in de Natuur gevonden konden worden, en omgekeerd. 'Als wij, daarom, de subtiele Kunst van de Alchemie willen uitoefenen, dan moeten wij de methode volgen, volgens welke de Natuur haar werk doet in de ingewanden van de aarde.' Alchemistische teksten zijn laboratoriumhandboeken voor het grote experiment van de Natuur, dat wij in onze eigen natuur uitvoeren: zelf-transformatie.
Het is op dit moment onmogelijk om te bepalen tot op welke hoogte de alchemistische adepten werkelijk fysische experimentele apparatuur gebruikten. Velen van hen maakten zich kennelijk bezorgd over het toenemend gebruik van uiterlijke materialen en keurden dit af. Een auteur zegt, de Natuur citerend: 'Laat mij u zeggen dat uw kunstmatig vuur nooit mijn hemelse warmte zal geven.' Even verder gaat hij voort: 'Al wat u wenst is gemak, en een plaats waar u zijn kunt zonder bang te hoeven wezen voor onderbrekingen.'
Een ander zegt met nadruk: 'Er is maar Eén vat, Eén methode, en Eén voltooiing.' Weer een andere auteur verzoekt:
'Laat toch na de veelheid van methoden en substanties, want onze substantie is Eén.' Het is duidelijk dat het er op na gaan houden van laboratoriumanalogieën als hulpmiddelen, bij sommige alchemisten de neiging opriep om zich meer en meer bezig te houden met de natuur en de samenstelling van de stoffelijke elementen en zo het oorspronkelijk doel uit het oog te verliezen. Dit is eigenlijk de geboorte van de moderne chemie, die zich in de loop der tijd opgesplitst heeft in talloze gespecialiseerde sub-wetenschappen.
De alchemisten noemden hun methode dikwijls de 'spagyrische' kunst, een samengesteld woord, gemaakt van de Griekse wortels 'uiteenhalen' en 'samenbrengen'. Het was dus een combinatie van wat nu genoemd wordt de analytische en de synthetische chemie, in de sfeer van het innerlijke: enerzijds de scheiding van elementen, de extractie van goud uit ruw metaal, en anderzijds de synthese van fijnere substanties, het combineren van elementen. Analyse beproeft, gaat op zaken in, zet apart: het is een mannelijke, dynamische functie.
Synthese bevat, combineert, sluit in: het is een vrouwelijke, magnetische functie. De fusie van mannelijke en vrouwelijke energieën, bekend als de conjunctie, is het centrale proces van de alchemie. Vele van de illustraties van het werk tonen een man aan de rechter- en een vrouw aan de linkerkant, die verschillende handelingen verrichten in het vat, in het centrum. Zij bereiden voor wat genoemd werd 'het chemische huwelijk', het innerlijk huwelijk van fijne chemische substanties.
Het hermetische vat, door sommigen genoemd: 'de wortel en het beginsel van onze kunst', dat waarin alle handelingen van de alchemie volvoerd worden, dat is het menselijk lichaam, of liever het hele samenstel van lichamen en velden gezien onder het aspect van het regeneratieve, innerlijke werk. Jung schrijft: 'Het hermetische vat is een baarmoeder van geestelijke vernieuwing of wedergeboorte' en dit is maar de halve waarheid. Want de vernieuwing uit zich evenzeer in het lichaam als in de geest. Het vat is, naar men zegt, rond of eivormig; de vorm komt overeen met die van het ordenend veld dat sensitieven rond menselijke wezens zien.
Het gebruik van het woord vat roept de vroege christelijke mystici in gedachten, die het lichaam zagen als het 'vat van de geest', waarin de 'tweede geboorte' van de regeneratie plaatsvindt. Het alchemistisch 'Liber Quartorum' ('Boek van de Vier') zegt: 'gelijk het werk van God is het vat van het goddelijk zaad, want het heeft de klei ontvangen, gekneed, en vermengd met vuur en water." De wedergeboorte van de nieuwe mens, of tweede Adam, volgend op het werk van de regeneratie door fusie van het mannelijke en vrouwelijke (soms de spagyrische geboorte genoemd) brengt de zoon van de wijze voort, dat is het werkelijke, wetende Zelf, de hermafroditische Ene, het Eén geworden wezen.
De alchemisten stelden met na druk dat het belangrijk was om het vat verzegeld te houden, opdat de juiste vermenging der elementen kon plaatsvinden. Dit zogenaamde hermetische zegel is als een beschermend veld dat de ingewijde om zich heen opricht, om te voorkomen dat er 'lucht' binnenkomt, dat wil zeggen, buiten het proces staande gedachtevormen die het zouden kunnen vernietigen, en tevens om te voorkomen dat er 'lucht' uit ontsnapt, dat wil zeggen, om te voorkomen dat er mentale energie verspild zou worden aan projecties naar buiten.
lees hier verder:
www.groot-nederland.org/alchemie.html