De mythe van Europa

Hier tref je allerlei topics aan die te maken hebben met geschiedenis en de oudheid.
Plaats reactie
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15996
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 24 nov 2011, 04:49

In Azië, in het land van Tyrus en Sidon, leefde Europa, de dochter van koning Agenor, in de diepe afzondering van het vaderlijke paleis. Op een nacht had ze een merkwaardige droom. Voor haar verschenen twee werelddelen in vrouwengedaante, die om haar streden. De ene vrouw had het uiterlijk van een vreemdelinge, de andere - en dat was Azië - leek een inheemse. Deze laatste omringde Europa met liefderijke zorg en verklaarde dat zij het was die deze dochter ter wereld gebracht en gezoogd had.

De vreemde vrouw echter greep haar als een prooi beet en sleurde Europa met zich mee zonder dat ze zich kon verweren. "Kom maar met mij mee, mijn liefste," zei de vreemdelinge, "ik breng je naar Zeus! Zo heeft het lot voor je beslist."

Europa ontwaakte met een angstig kloppend hart en richtte zich op in haar bed, want de nachtelijke droom was helder en duidelijk geweest als een beeld van de dag. Lange tijd zat ze onbeweeglijk in bed. "Welke hemeling," vroeg ze zich af, "heeft mij die beelden gezonden? Wie was toch die vreemdeling in mijn droom? Welk wonderlijk verlangen naar haar beweegt mijn hart? En hoe vriendelijk is ze mij tegemoet getreden, hoe liefdevol heeft ze tegen mij gelachen, ook al ontvoerde ze me met geweld! Mogen de goden mij deze droom ten goede keren!"

De ochtend was aangebroken. Het heldere licht wiste de nachtelijke droom uit het bewustzijn van de jonge vrouw. Weldra voegden haar speelgenoten zich bij haar. Het waren dochters uit de voornaamste huizen en ze nodigden hun meesteres uit voor een wandeling naar de weiden aan zee, die een geliefd trefpunt waren voor de meisjes uit de omgeving, die daar genoten van de bonte bloemen en van het ruisen van de zee. De meisjes waren gekleed in aantrekkelijke met bloemen beslikte gewaden.

Europa droeg een schitterend gewaad met een sleep; op de stof waren met gouddraad voorstellingen uit de godensage gestikt; het kostbare gewaad was een werk van Hephaistos, een oeroud godengeschenk van de aardschudder Poseidon, die het aan Libya had geschonken toen hij haar het hof maakte. Uit haar bezit was het als erfstuk in het huis van Agenor gekomen In deze bruistooi gekleed snelde de mooie Europa aan het hoofd van haar speelgenoten naar de weiden aan zee die vol bonte bloemen stonden. Lachend verspreidden de meisjes zich, elk zocht haar lievelingsbloemen. De een plukte narcissen, de ander hyacinten, een derde zocht viooltjes, anderen hadden meer oog voor de kruidige tijm en weer anderen zochten gele krokussen.

Europa had al gauw haar doel gevonden. Zij stond als een liefdesgodin tussen de gratiën en hield een boeket rozen triomfantelijk omhoog. Toen ze genoeg bloemen hadden geplukt gingen de meisjes in het gras zitten om er kransen van te vlechten die ze, als dank aan de nimfen van de weiden, aan de groene bomen wilden hangen.

Zeus was diep onder de indruk geraakt van de schoonheid van de jonge Europa. Omdat hij echter de toorn van zijn jaloerse Hera vreesde en ook niet mocht hopen het onschuldige gemoed van het meisje te kunnen verleiden, verzon de sluwe god een list. Hij veranderde zich in een stier. Maar wat voor een stier! Niet zo een die gebogen onder het juk, de zwaar beladen kar trekt. Nee, groot, verrukkelijk van gestalte, met gezwollen spieren aan de hals en volle kwabben. Zijn horens waren sierlijk en klein als door kunstenaarshand gedraaid en doorzichtig als diamant. Zijn vel was goudgeel, alleen op zijn voorhoofd schemerde een halvemaanvormige, zilverwitte vlek, zijn blauwe ogen fonkelden van een vurig verlangen.

Voordat Zeus die gedaantewisseling voltrok, riep hij Hermes bij zich en zei, zonder hem iets van zijn voornemen te verraden: "Haast je, beste zoon, trouwe overbrenger van mijn bevelen. Zie je daar beneden het land Phoenicia? Ga daar heen en drijf voor mij het vee van koning Agenor, dat op die bergweide graast, omlaag naar de zee." In weinig ogenblikken was de gevleugelde god op de Sidonische bergweiden aangekomen en dreef de kudde van de koning, waaronder zich ook - zonder dat Hermes dat vermoedde - de stier bevond waarin Zeus zich had veranderd, van de berghelling naar de weiden waar de dochter van Agenor argeloos met bloemen speelde. De kudde verspreidde zich over de weiden en alleen de fraaie stier, waarin de god zich had veranderd, naderde de grazige heuvel waarop Europa en haar speelgenoten zaten.

Trots schreed hij door het malse gras en maakte in het geheel geen dreigende of angstaanjagende indruk. Zijn gehele verschijning straalde zachtmoedigheid uit. Europa en haar metgezellinnen bewonderden de edele gestalte van het dier en zijn rustige gedrag. Ze kregen zin om hem van nabij te bekijken en hem over zijn glanzende rug te aaien. De stier scheen dit te merken, want hij kwam steeds dichterbij en bleef tenslotte dicht bij Europa staan. Deze sprong overeind en week enkele schreden achteruit.

Toen echter het dier kalm bleef staan vatte ze moed en kwam naderbij. Ze hield hem de bloementuil voor. De stier likte vleiend de hem aangeboden bloemen en de tedere hand die hem het schuim afwiste en hem innig begon te strelen. De prachtige stier begon het meisje steeds beter te bevallen en eindelijk waagde ze het en drukte een kus op zijn glanzende voorhoofd. Daarop liet het dier een vreugdevol geloei horen niet het gewone geloei van stieren, maar als de klanken van een Lydische fluit in een bergdal.

Toen ging hij aan de voeten van de jonge vorstin liggen, zag haar verlangend aan, wendde haar zijn nek toe en toonde haar zijn brede rug. Daarop zei Europa tegen haar vriendinnen: "Kom toch dichterbij. Laten we ons op de rug van dit fraaie dier zetten en ons daarop vermaken. Ik geloof dat er wel plaats is voor vier van ons. Hij ziet er zo vriendelijk en zachtaardig uit en lijkt helemaal niet op andere stieren. Ik geloof dat hij het verstand van een mens heeft en hem alleen de gave om te spreken ontbreekt." Met die woorden nam ze haar speelgenootjes de kransen uit handen en versierde daarmee de omlaag gehouden horens van de stier.

En toen sprong ze overmoedig op zijn rug terwijl haar vriendinnen besluiteloos toekeken. De stier kwam overeind en zette zich in een lichte draf zodat Europa's metgezellinnen geen gelijke tred met hem konden houden. Toen hij echter de weiden achter zich, en het hele strand voor zich had, verdubbelde bij zijn snelheid en leek op een vliegend paard. En eer Europa begreep wat er met haar gebeurde was hij in zee gesprongen om met zijn buit weg te zwemmen. Het meisje hield zich met haar rechterhand aan een horen vast en steunde met haar linker op zijn rug. De wind blies haar kleren op als een zeil. Ze keek angstig achterom naar het land en riep tevergeefs naar haar speelgenoten. Het water golfde rond de stier en om niet nat te worden trok ze angstig haar voeten op.

Maar de stier voer rustig als een schip door het water. Al gauw was de kust verdwenen, de zon ondergegaan en in het halfduister van de nacht kon de geschrokken Europa niets anders meer zien dan de golven en hemellichamen. En zo ging het verder, ook toen de ochtendzon al aan de hemel stond; de gehele dag zwommen ze door de oneindigheid van de zee; maar de stier sneed zo bekwaam door de golven dat geen druppel zijn geliefde buit bevochtigde.

Tegen de avond bereikten ze eindelijk een verre oever. De stier klauterde aan land, liet het meisje onder een boom zachtjes van zijn rug glijden en verdween. In zijn plaats verscheen een schitterende, godengelijkende man, die haar verklaarde dat hij de heerser van het eiland Kreta was en haar beschermen zou als zij zijn bondgenote wilde worden.

Europa reikte hem, in haar troosteloze eenzaamheid, haar hand als teken van instemming en Zeus had zijn doel bereikt. Toen verdween hij zoals hij gekomen was. Europa ontwaakte uit een langdurige verdoving toen de ochtendzon al aan de hemel stond. Ze keek verward om zich heen en riep om haar vader. Maar toen herinnerde ze zich het gebeurde en klaagde: "Ik ontaarde dochter, hoe durf ik de naam van mijn vader in mijn mond te nemen? Welke laagheid heeft mij alles doen vergeten?" Ze keek onderzoekend om zich heen en vroeg zich af: "Waar ben ik beland? Ben ik wel echt wakker en is het werkelijk een schande? Nee, ik ben beslist onschuldig aan alles en slechts een droombeeld vervormt mijn geest." Ze streek met haar vlakke hand langs haar ogen als wilde ze een afschuwelijke droom verjagen.

Maar de onbekende omgeving veranderde niet; onbekende bomen en rotsen omgaven haar en een angstaanjagende zee sloeg haar golven te pletter tegen onverzettelijke klippen. "Ach, kwam nu die vervloekte stier maar terug," riep ze wanhopig uit, "ik zou de horens van dat monster moeten breken. Maar dat blijft natuurlijk een wens! Mijn thuis is ver. Wat blijft mij anders over dan te sterven! Stuur mij, hemelgoden, toch een leeuw of een tijger!" Maar er was geen wild dier te zien; vredig lag de omgeving voor haar en uit de heldere, eeuwig blauwe lucht scheen de zon. Als door wraakgodinnen gedreven sprong Europa overeind. "Ellendig schepsel," riep ze, "hoor je niet de stem van je vader die je vervloekt als je aan je onteerde leven geen einde maakt? Of wil je liever een barbarenkoning als bijvrouw dienen of als slavin werken, jij dochter van een edel koning?" Het ongelukkige eenzame meisje kwelde zich met gedachten aan de dood en vond niet de moed te sterven.

Toen hoorde ze ineens een zacht, spottend gefluister en ze keek geschrokken om. Omgeven door een bovenaardse glans stond daar de godin Aphrodite in gezelschap van haar kleine zoon, de liefdesgod, die zijn boog had laten zakken.

Er zweefde een glimlach rond de lippen van de godin voor ze begon te spreken: "Laat die toom en dat gemor, mooi meisje! De gehate stier zal komen en je zijn horens aanbieden; ik ben het die je de droom heeft gezonden. Troost je Europa. Het is Zeus die je geroofd heeft; je bent nu de aardse godin van de onoverwinnelijke god. Onsterfelijk zal je naam worden, want het vreemde werelddeel dat je opgenomen heeft zal van nu af Europa heten!"
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: baphomet
Omhoog
Gebruikersavatar
baphomet
Administrator
Administrator
Berichten: 23355
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:08

do 24 nov 2011, 05:15

Nice one Combi!!
1119 AD
Gebruikersavatar
blackbox
Administrator
Administrator
Berichten: 6281
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 16:09

do 24 nov 2011, 06:25

Sjonge Combi...de laatste paar onderwerpen die je plaatst zijn errug interessant!


Thx for that!
illuminati of my own reality
Gebruikersavatar
dodeca
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 1297
Lid geworden op: zo 28 aug 2011, 19:54

do 24 nov 2011, 09:43

I care not what the sailors say:
All those dreadful thunder-stones,
All that storm that blots the day
Can but show that Heaven yawns;
Great Europa played the fool
That changed a lover for a bull.
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15996
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 24 nov 2011, 15:39

[quote=""blackbox" post=47193"]Sjonge Combi...de laatste paar onderwerpen die je plaatst zijn errug interessant!


Thx for that![/quote]

thx, heb weer wat oude/nieuwe boeken te pakken gekregen :cheer:


Waarom er allerlei kleuren kinderen zijn

Heb je je wel eens afgevraagd waarom er kinderen in allerlei kleuren zijn? Nou? Dat komt door iets wat heel lang geleden gebeurd is. In die lang vervlogen tijd was er geen aarde en het was altijd donker. Maar hoog boven de zwarte nachthemel, ergens waar het volop licht was, woonde Nyame, de Hemelgod. En binnenin Nyame woonden geestmensen.

Nyame vond het heerlijk om dingen te maken en op een dag besloot hij iets heel speciaals te maken. Eerst pakte hij een reusachtige mand, vulde die met aarde en plantte er allerlei wonderbaarlijke planten in. Maar dat vond Nyame nog niet genoeg. Toen maakte hij een heleboel prachtige dieren, vogels en insecten en zette die tussen de planten. Toen hij klaar was, deed Nyame een stapje achteruit en bewonderde zijn mand met aarde. "Dit is werkelijk iets heel speciaals!" zei hij. "En ik weet precies waar ik die neer ga zetten!"

Zorgvuldig sneed hij een rond gat in de hemel en toen maakte hij een luik dat precies paste in het gat. Hij zette het luik open. Toen bond hij een regenboogkoord aan de mand en liet haar door het gat zakken, verder en verder naar beneden, tot zij neerkwam op dezelfde plek waar de mand met aarde nu nog staat. Er stroomde licht naar buiten door het gat in de hemel en dat verlichtte alles daar beneden - en dat gat is de ronde zon, die nog altijd de aarde verlicht als Nyame's luik openstaat.

Nu was Nyame tevreden over zijn werk, en hij keek naar beneden en bewonderde het nog een poosje. Maar na een tijdje sloot hij het luik en onmiddellijk heerste er donkere nacht beneden op de mand met aarde. "O, mijn arme dieren!" zei Nyame. "Ik was ze glad vergeten! Wat zullen ze bang zijn in het donker!" En meteen prikte hij nog een paar gaatjes in de hemel - en die gaatjes zijn de maan en de sterren, die blijven schijnen ook als het luik van Nyame dicht is.

Nyame was dol op zijn aardemand, en telkens deed hij het luik weer open om naar beneden te kijken. Soms klommen er een paar van de geestmensen die in hem woonden omhoog naar zijn mond en keken dan met hem mee. Op een dag, toen Nyame zijn aardemand weer aan het bewonderen was, ontdekte hij een kale plek waar niets groeide. "Die moet ik opvullen!" zei hij. Dus nam hij een klein mandje, zo groot als de lege plek, en vulde dat met planten. Hij bond er een regenboogkoord aan vast en liet het naar beneden zakken door het gat in de hemel.

Een van de meisjesgeesten die binnen in Nyame woonden heette Iyaloda. Ze was heel levenslustig en had overal belangstelling voor. Zodra ze hoorde dat Nyame een klein mandje liet zakken, zei ze tegen de jongensgeest, die haar speciale vriendje was: "Laten we eens gaan kijken!" - "Hmmm... dat is goed," zei hij en hand in hand kropen ze binnenin Nyame naar boven.

Toen ze in zijn mond kwamen liepen Iyaloda en de jongensgeest op hun tenen over zijn tong, naar zijn tanden en leunden naar buiten over zijn grote onderlip. En toen moest Nyame niezen! En Iyaloda en de jongensgeest werden uit zijn mond geslingerd, door het gat naar beneden en bom! daar vielen ze pardoes in het kleine mandje. Toen ze weer wat op adem gekomen waren, was het kleine mandje precies in de lege plek van de grote aardemand gezakt. "Dat was even onverwacht," zei Iyaloda. "Maar nu we toch hier zijn, kunnen we best een beetje rondkijken."

Hand in hand gingen de twee op weg. Eerst waren ze nog wel opgewekt. Er was zo veel wonderbaarlijks te zien. Maar het duurde niet lang voordat ze zich gingen afvragen hoe ze weer terug moesten naar hun thuis binnenin Nyame. Ze dachten diep na, maar konden geen enkele manier bedenken om bij het luik boven in de hemel te komen en ze waren heel verdrietig.

Toen de duisternis viel, en de maan en de sterren begonnen te schijnen, maakten ze van een paar takken een afdakje, kropen dicht tegen elkaar aan en vielen in slaap. In de dagen die volgden voelden Iyaloda en de jongensgeest zich vaak vreselijk verdrietig. Het was een eenzaam bestaan zo met z'n tweeën, ver weg van Nyame en al hun geestenvriendjes.

Soms dwaalde de jongensgeest alleen rond en troostte zichzelf door te praten met de wind en de bomen, en door een eenzame dans te dansen. Maar als Iyaloda, de meisjesgeest, zich verdrietig voelde, dan ging ze zitten en zat maar te denken, te denken en te denken.

Op een dag had ze ten slotte iets heel erg slims bedacht. Toen de jongensgeest terugkwam was Iyaloda één en al opwinding. Ademloos zei ze: "Ik heb iets heel erg slims bedacht!" - "Iyaloda," zei de jongensgeest, "ik wil het niet horen. Jouw slimme gedachten brengen ons altijd in moeilijkheden. Denk maar eens aan de laatste... 'Laten we naar boven kruipen naar Nyame's mond.' Toen werden we wel naar beneden geniesd!"

"Dit is iets heel verstandigs," zei Iyaloda. "Luister, we moeten een paar kleintjes maken. Net zoals we zelf zijn. We zouden ze kinderen kunnen noemen. Dan zouden we niet meer alleen zijn."

"En hoe moeten we dat dan doen?" vroeg de jongensgeest.

"We kunnen wat klei uitgraven en er poppetjes van maken die er net zo uitzien als wij en ze dan bakken in een vuur. En dan kunnen we ze leven inblazen."

Nadenkend zei de jongensgeest: "Ik geloof, dat het geen kwaad kan om het eens te proberen." - "Laten we meteen beginnen," zei Iyaloda. En dus groeven ze wat klei uit en boetseerden daar kleine jongetjes en kleine meisjes van, ongeveer zoals ze er zelf uitzagen. Toen stapelden ze een heleboel hout rond de popjes en staken dat in brand. Maar Iyaloda was ongeduldig, en het duurde niet lang of ze zei: "Nu zullen ze wel klaar zijn. Laten we eens kijken!" En ze dekte het vuur af met grote groene bladeren om het te doven. Toen het helemaal was afgekoeld, haalde ze de kleipoppetjes eruit. Sommige waren bleek, sommige waren rozeachtig wit en sommige waren roomwit. Allemaal een beetje anders.

"O, die zijn mooi geworden!" zei Iyaloda. "Laten we er nog een paar maken!" En dus groeven ze de volgende dag weer wat klei uit, maakten nog meer poppetjes, stapelden er hout omheen en staken dat in brand. Iyaloda zei: "Dit keer zal ik ze een stuk langer bakken en kijken wat er gebeurt." Ze wachtte en ze wachtte - en dat was iets wat Iyaloda moeilijk vond! Maar ten slotte vond ze dat de poppetjes lang genoeg gebakken waren en ze dekte het vuur af met bladeren. Toen het helemaal was afgekoeld, haalde ze de poppetjes eruit. Dit keer waren sommige diepzwart geworden, sommige hadden een prachtige kleur donkerbruin en sommige waren roodachtig bruin. Allemaal een beetje anders.

"O, wat zijn die mooi!" zei Iyaloda. "Laten we er nog een paar maken!" En de volgende dag maakten ze nog meer poppetjes en staken het vuur weer aan. Iyaloda zei: "Dit keer zal ik ze niet lang of kort bakken, maar tussenin!" Ze wachtte, en zodra ze dacht dat de poppetjes een tussen-in-tijd gebakken waren, dekte ze het vuur af met bladeren. Toen ze nu deze poppetjes eruit haalde, waren sommige goudachtig geel en andere goudachtig bruin. Allemaal een beetje anders.

"O, wat zijn deze ook mooi!" zei Iyaloda. "Laten we..." - "Nee!" zei de jongensgeest. "We hebben nu wel genoeg kinderen! Nu is het tijd om ze leven in te blazen!"

Toen knielden ze op de grond en bliezen ze allemaal één voor één leven in, en elk poppetje van klei kwam tot leven, net als kinderen die wakker worden uit een diepe slaap. Zo werden de jongensgeest en Iyaloda, de meisjesgeest, de eerste vader en de eerste moeder, en omdat ze zo'n groot gezin hadden om voor te zorgen en van te houden, voelden ze zich nooit meer eenzaam. En uit deze eerste kinderen kwamen natuurlijk alle kinderen van de wereld voort, in al hun verschillende, prachtige kleuren.


scheppingsverhaal uit Ghana
"Scheppingsverhalen uit alle windstreken" naverteld door Margaret Mayo. Uitgeverij Christofoor, Zeist, 1996. ISBN: 90-6238-181-2
Plaats reactie

Terug naar “Geschiedenis”