Het Wilde Heir

Hier tref je allerlei topics aan die te maken hebben met geschiedenis en de oudheid.
Post Reply
User avatar
combi
Administrator
Administrator
Posts: 16004
Joined: Sat 21 Aug 2010, 21:27

Sun 13 Mar 2011, 03:24

 
Het Wilde Heir
De Wilde Jacht (ook wel Wilde Heir of Heer genoemd) was in oude tijden de benaming van een bovennatuurlijk verschijnsel, waarbij een spookachtige jachtgroep te paard door de nachtelijke lucht raasde. De verschijning werd gezien als voorbode van naderend onweer. aldus  wikipedia.
Wij gaan het hier niet hebben over onweer, al of niet waar, maar over de volksoverleveringen uit Noord- en West-Europa over de wilde heir en zijn ommegangen. De bron is een publicatie uit 1959 van F.E. Farwerck  in het tijdschrift Nehallenia die de schrijver is van het boek "noordeuropese mysteriën en hun sporen tot heden". Dat die zelfde Frans Eduard Farweck in 1933 tot de meest invloedrijke adviseurs van ir. A.A. Mussert, de leider van de NSB behoorde betekende dat zijn boeken min of meer uit de winkels gebannen zijn. Frans Eduard Farwerck Dat hierbij alle 'goede' informatie ook verloren gaat was of zelfs is, is dan weer minder van belang. Dat alleen de hoge heren met voldoende geld, macht en vrienden de dans ontsprongen om als oorlogsmisdadiger te worden berecht mag bekend zijn en anders zijn er hier nog wel wat artikelen op QFF over dit onderwerp te vinden. zoals:

Wereld geheimen deeltje-1
Wereld geheimen deeltje-2
BASF, Bayer, IG Farben & de NAZI'S
De Hitler dubbelgangers

 
Het Wilde Heir
door F. E. Farwerck
De volksoverlevering van bijna alle landen in Noord- en West-Europa vertelt van ommegangen, die op gezette tijden waargenomen worden en die verklaard worden als het rondtrekken van het „Wilde Heir", een spookachtige schaar ruiters en voetgangers. De schriftelijke berichten hierover zijn reeds zeer oud. De oudste vermelding vinden wij in het tussen 1127 en 1139 ontstane Rolandslied, waar gesproken wordt over een „wuotigez her" (Helm, 262), waarin „woedend" een meer aangetroffen variant voor „wild" is. Bijzonderheden zijn er echter niet bij vermeld en in de tijd van de dichter was het dus blijkbaar een algemeen bekend begrip. In de Britse wouden hield reeds in het midden der twaalfde eeuw - volgens een bericht van Gervasius Tilberiensis in zijn Otia imperialia, dat hij tot vermaak van koning Otto IV schreef - koning Arthur met zijn ruiterschaar woeste ritten en in de Complaynt of Scotland wordt daarvan gezegd: „Arthour knycht he raid on nycht vith gyldin spur and candyl lich't" (Grimm, 786). Omstreeks dezelfde tijd lezen wij in een gedicht van Hendrik de Leeuw, de hertog van Beieren en Saksen (1139-1181) : „da quam er under daz wöden her, da die bösen geiste ir wonung han" (Grimm, 766); hij hield het Wilde Heir dus blijkbaar voor een verzameling boze geesten. Ook uit Frankrijk hebben wij reeds vroeg schriftelijke mededelingen over het Heir. In een allegorisch oudfrans gedicht van Huon de Méry, Tournoiement Antecrist, dat in 1235 werd geschreven, wordt de verpersoonlijkte behaagzucht voorgesteld als rijdende op een paard, dat met bellen behangen is. De dichter wordt daardoor herinnerd aan het Wilde Heir, de „Mesnie Helliquin" (het gevolg van Helliquin), en ook andere schrijvers uit de dertiende eeuw kennen Helliquin als aanvoerder van het Heir. Zo wordt in het oude Franse stuk van Adam de la Halle, „Le jeu de la Feuillée" (het loverspel), de komst van de Herlekinschaar 1) door belgerinkel aangekondigd.'
Na 1300 wordt de vermelding van het Wilde Heir steeds veelvuldiger. Uit het begin der veertiende eeuw is ons in de Franse satyrische Roman de Fauvel een beschrijving overgeleverd van een wilde schaar, die met de Mesnie Helliquin vergeleken wordt (Höfler, 8); Michael Beheim (1416-1471) spreekt van schreeuwen en roepen „als ob es wer das wutend her" (Grimm, 766) en omstreeks 1475 preekte Geiler von Keisersberg over „das wütede oder wütische her" (Grimm, 766).
Ook uit latere eeuwen bereiken ons nog steeds berichten, waaruit blijkt, dat men aan het rondtrekken van het Wilde Heir geloofde. In Finland werd iemand in 1639 aangeklaagd, omdat hij „met de mannen van Oden" reed (Höfler, 44) en de geleerde Prätorius schreef in 1668 in zijn Blockes Berges Verrichtungen nog verontwaardigd over het rondtrekken van het „wütende Rot", dat in de vasteltijd zijn ommegangen hield (Höfler, 16). In de volksoverlevering zijn de verhalen echter nog veel langer bewaard gebleven en tot op onze tijd wordt er geheimzinnig gefluisterd over het Wilde Heir en worden er allerlei verhalen aan vastgeknoopt.

odin
 
Over het algemeen werd en wordt gezegd, dat het Wilde Heir een schaar overledenen zou zijn, die om de een of andere reden hun nachtelijke ommetochten houden. De in de twaalfde eeuw levende Engelsman Map spreekt van de Herlething-mannen, waaronder velen waren, die men dood waande (Wolfram, 267) en in Frankrijk werd meestal gezegd, dat de met het Heir rondtrekkende door het zwaard waren omgekomen (Wolfram, 266). Volgens Keisersberg behoorden er allen toe, die een gewelddadige dood hadden ondergaan (Grimm, 767) en in, Graubünden spreekt men nog van het „dodenvolk" of de „dodenschaar" (Jung, 81). Hiermede zal wel verband houden, dat in de oudere gegevens en veelal ook in latere, Wodan of een daarmede verwante naam als aanvoerder genoemd wordt. Wij noemden reeds de Fin, die aan-geklaagd werd, omdat hij met „Odens mannen" zou rijden, maar het oudste bericht hierover is reeds uit een ver verleden. In een oude banspreuk van de Münchener Nachtsegen uit de dertiende eeuw wordt gesproken van ,.Wûthanes her und alle sine man". Niet alleen duidt deze naam op Wodan, maar in die tijd had de Duitse taal reeds lang het vermogen verloren om namen te vormen met het achtervoegsel -an (Wolfram, 270). Dit duidt er op, dat de naam en dus ook het begrip van het Wilde Heir reeds veel ouder was dan de dertiende eeuw. Daarop wijst trouwens ook het honderd jaar tevoren reeds als algemeen bekend veronderstelde en over grote delen van Europa verbreide verhaal over dit Heir.
Wij mogen wel als zeker aannemen, dat wij met een uit heidense tijd stammende overlevering te maken hebben, waarin het Wilde Heir nauw verbonden was met de dodenschaar, die, met Wodan (Odin) als aanvoerder, in de Germaanse mythologie als de schaar der einheriërs bekend is. Deze einheriërs waren de in het Walhalla levende gesneuvelde krijgers, die zich met wapenhandel en feestgelagen bezighielden en die bij de wereldondergang de aangewezenen waren tegen de boze machten te strijden en de overheersing daarvan te beletten, al was het dan, ten koste van eigen
ondergang, Het denkbeeld, dat men na zijn dood in deze mythische krijgerschaar zou worden opgenomen, is nog lang blijven voortbestaan. Grimm (blz. 706) noemt als een oude uitdrukking voor sterven „in des Todes Schar varn" en nog in 1835 zei men, als men iemands overlijden wilde mededelen: „hij is naar het grote heir gegaan".
Zoals ook met andere volksoverleveringen geschiedde, werden de verhalen over het door Wodan aangevoerde Wilde Heir na de invoering van het christendom verder verteld en daarbij werd, vermoedelijk omdat men er niet in slaagde de verhalen uit te roeien, de veelal gebruikelijke satanisering toegepast. Niet Wodan was de aanvoerder maar de duivel, hetgeen in overeenstemming was met de nieuwe zienswijze, waarbij de heidense goden tot duivels werden. De genoemde Prätorius schrijft in zijn boek, dat men in Thuringen vooral met Kerstmis en in de vasteavond-tijd niet alleen op het land, maar ook in de steden en dorpen in het „leger van de duivel" veel spooksels zag, waarin levende en dode mensen herkend werden (Höfler, 73) ; ook bij anderen komt men herhaaldelijk de uitdrukking „de duivel en zijn heir" tegen, als men het over de ommegangen van het Wilde Heir heeft. Soms heet de aanvoerder Hellejäger (Grimm, 767), hetgeen in dezelfde richting wijst. In Oldenburg heet de aanvoerder de Wojnjäger, maar er wordt bij gezegd, dat dit een naam voor de duivel is (Strackerjan, 455) en in Twente wordt gezegd, dat de scholt Joost (een naam, die veelal voor de duivel gebruikt wordt) door de lucht trekt, daarbij altijd dezelfde weg nemend „van scholten Vaarwerk op Steenbergen an" (Elderink, 288). Met deze satanisering hangt samen, dat men wel vertelde, dat alleen de onge-doopte kinderen deel van het Wilde Heir konden uitmaken, hoewel in de volksoverlevering de opvatting is blijven bestaan, dat tal van gestorven volwassenen er toe behoorden.

Chasse-galerie, Henri Julien (1852–1908), deze Frans-Canadese betoverde kano doet denken aan de vliegende arrenslee van de Kerstman
 
Het geloof, dat de duivel een rol speelde bij het Wilde Heir, komt ook nog tot uitdrukking in het verband dat men legde tussen dit heir en de vrijmetselaren, Dit waren immers lieden, die hun ziel aan de duivel verkocht hadden en zij werden daarom in verschillende streken tot de deelnemers van de ommetochten van het Wilde Heir gerekend. Uit de vele voorbeelden geven wij het volgende (de Cock, 181): Op een avond, zei de oude zeeldraaier van het dorp, kwam ik eens laat thuis van Meisse en, gelijk ik voorbij Merten van Roy (een stuk land) stapte, hoorde ik de framassons komen aangevlogen, al muziek spelend, over het land. En zie, ik had nog maar juist de tijd mij te laten neervallen op de kassei, want ze vlogen zo laag, dat ze mij met hun voeten in de gracht sleepten, waar ik een poos bewusteloos bleef liggen. Op hetzelfde ogenblik hoorde ik een koppel roepen: „'t Is de oude zeeldraaier", een teken dat er van dees kanten' ook bij waren.
Men heeft Wodan als aanvoerder van het Wilde Heir ook vervangen door min of meer historische en soms ook geheel gefantaseerde personen. In Zweden bijv. door Kung Od, koning Od, (Höfler, 90), een naam, die verdacht veel op die van Odin lijkt. Andere namen voor, de aanvoerder zijn: Beerneke van Geulen, (de bisschop van Munster, Bernard von Galen, die vooral door zijn aanval op Nederland in, 1672 hier te lande bekendheid heeft verworven en daarom in Groningen Bommen-Berend genoemd werd), koning Radboud, de reeds genoemde koning Arthur, in Schotland koning Artus, in Denemarken koning Waldemar enz. Daarnaast hoort men dan tal van moeilijk te begrijpen namen: Tupis of Kupis in Twente, Juulkes in Weerselo, Seduumkes in de Achterhoek, Kluppel of Tieltjes in België enz.
Er zijn natuurlijk verschillende verklaringen gegeven voor het ontstaan van de verhalen over het Wilde Heir. De gemakkelijkste, maar volkomen nietszeggende was die, dat zij geboren waren uit de volks-fantasie en nergens op teruggrepen. Een tweede verklaring, die vooral in de vorige eeuw, de tijd der natuurmythologie, waarin men alle mythen aan dichterlijke beschouwingen over natuurgebeurtenissen toeschreef, opgeld deed, was dat met het Wilde Heir de storm gesymboliseerd werd, die vooral in de winter en de lente over velden en bossen joeg. Daarmede zou dan in overeenstemming zijn,, dat Wodan de aanvoerder was, want deze werd in de natuurmythologie uitsluitend als stormgod verklaard.
Bij nadere beschouwing hapert er echter hier en daar wel iets aan deze theorie. In de eerste plaats gaat het Wilde Heir op vastgestelde tijden rond. Dit zijn de ,;twaalf nachten" (tussen Kerstmis en Driekoningen), maar hier kan men natuurlijk veronderstellen, dat deze periode, die in de tijd der winterstormen ligt, in het volksgeloof met de ommegangen van het Wilde Heir geassocieerd werd. De tweede periode is echter die omstreeks vastelavond en het is van de voorjaarsstormen wel veel gevergd zich steeds aan te passen bij dit ieder jaar veranderende tijdstip. Ook Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Allerzielen worden wel als tijdstippen voor de ommegangen genoemd en ook hier zouden de stormen dus een voorkeur geven aan deels vaststaande, deels ieder jaar veranderende christelijke feesten. Een ander bezwaar tegen de verklaring van de natuurmythologen is nog belangrijker. Het Wilde Heir gaat namelijk altijd dezelfde weg. Grimm heeft daarover een aantal gegevens verzameld (blz. 281). In Mansfeld vertelden de oude mensen bijv., dat het Heir van de Zinkenstill af over de Kreutzstrasse en bij de brug van Reumesen over de bergen was getrokken naar Dreissigacker. Vooral voor huizen met twee ingangen hadden de rondtrekkenden blijkbaar een voorkeur. In Neubrünn in Wurttemberg ging de tocht altijd door drie huizen, waar drie deuren precies in een rechte lijn lagen: de huisdeur, de keukendeur en de deur naar het erf. Zo zeker was men van de tijd, waarop het Heir verscheen, en de weg, die het zou nemen, dat men zich in Eisleben op de donderdag vóór de vasten verzamelde om het te zien komen, „alsof er een machtige koning zou binnentrekken" zegt de berichtgever. Ook uit tal van andere plaatsen hebben wij soortgelijke berichten en wij mogen de storm-theorie dan ook als volkomen ondeugdelijk afwijzen. Wenden wij ons tot de volksgebruiken dan vinden wij daarin hoogst opmerkelijke overeenkomsten met de verhalen over het Wilde Heir. Inzonderheid bedoelen wij de beschrijvingen over de extatische ommetochten, die door vele eeuwen heen plaats hadden en waarvan wij zelfs heden ten dage nog de sporen kunnen terugvinden.
Deze extatische ommetochten hadden op dezelfde tijdstippen plaats als die, welke voor de ommegangen van het Wilde Heir genoemd worden. Oorspronkelijk zullen zij wel deel hebben uitgemaakt van de heidense eredienstfeesten, maar na de kerstening werden zij, voor zover zij niet onderdrukt werden, op christelijke feestdagen overgeschakeld. De beschrijvingen van de ommetochten bij deze volksgebruiken zijn overigens in dezelfde bewoordingen vervat als die van het Wilde Heir; vaak weten wij niet of wij met het een of het ander te maken hebben, soms wijst een enkel woord of een uitdrukking ons in de goede richting en soms ook blijkt duidelijk, dat het de beschrijving van een volks¬gebruik is. Wij hebben hier blijkbaar te maken met een ook onder het volk meer en meer doordringen van het rationele denken. Vroeger werden de gemaskerde deelnemers der volksommetoch¬ten voor doden, voor spoken gehouden 2) en zo ontstonden de verhalen van het demonische Wilde Heir, maar meer en meer realiseerde men zich, dat het toch eigenlijk alleen maar vermomde mensen betrof. Maar als men de oudere mensen in het Tirolse Imst vraagt, wie de gemaskerden bij de jaarlijks gehouden ommetochten zijn, dan blijkt uit hun antwoord dat zij nog altijd geloven, dat het hun gestorven voorvaderen zijn (Nehalennia II-3 blz. 81).
Een kenmerkende eigenschap van het Wilde Heir is het geraas waarmee het voorttrekt en ook in de volksgebruiken zien wij bij de ommegangen dat op allerlei wijze geraas gemaakt wordt. Een zeer veel daarbij voorkomend instrument vormen de koebellen en ook bij het Wilde Heir kwam, zoals wij hierboven zagen, belgerinkel voor.

Dendermonde - Ros Beiaard ommegang Een groep Thebaanse trompetten opent de Ommegang
 
Veelal hebben de rondtrekkenden zwart gemaakte gezichten, een der middelen om voor doden gehouden te worden, en zij volgden op hun tocht een „wegbereider" die bij tal van volksgebruiken een rol speelt en die in christelijke tijd bij het Wilde Heir veelal „de getrouwe Ekkehard" genoemd werd. Opmerkelijk is ook, dat voor het Wilde Heir dikwijls offers gereed gezet werden, bier en vlees, of dat degenen, die er toe behoorden, uit de hoeven stalen wat van hun gading was. In overeenstemming daarmee werd aan de rondtrekkenden bij het volksgebruik vaak bier en vlees geschonken en ook tal van andere zaken, terwijl zij veelal het „steelrecht" hadden, dat natuurlijk meestal in bepaalde banen geleid werd. Tegen de tijd dat het Wilde Heir voorbijkwam, borgen de boeren alles op, wat meegevoerd kon worden, maar tot op de huidige dag is het hier en daar in ons land nog, gebruikelijk, dat in een bepaalde nacht de jongelingschap van alles weg rooft, dat de betrokkenen dan later terug kunnen halen. Dit geschiedt bijvoorbeeld in Wierden nog jaarlijks.
Nu zou men kunnen zeggen, dat de volksgebruiken een imitatie zijn van de mythische ommegangen en dat deze dus primair zijn, maar vergelijking met soortgelijke gebruiken in andere landen doen de overtuiging ontstaan, dat wij bij het Wilde Heir met, een gemythologiseerd volksgebruik te maken hebben.
Zo vinden wij bij de Indogermaanse Phrygiërs de mythe van de extatische ommetochten van Kybele met haar korybanten en daarnaast in het volksgebruik soortgelijke ommetochten. Ook in verband met de Thracische eredienst van Dionysos lezen wij over de mythe van de rondtrekkende god met zijn menaden, satyrs en silenen, een getrouwe weerspiegeling van het volksgebruik, waarbij de deelnemers in dezelfde vermommingen gekleed zijn en evenals bij de Phrygische ommetochten onder oorverdovend geraas en het weerklinken van fluiten, cimbelen en pauken rondtrekken. Deze soort feiten hebben de mening doen post vatten, dat hier het eredienstgebruik primair was en dat pas later de mythische voorstelling als een etiologische verklaring voor het gebruik is opgekomen 3) en hetzelfde zal ook bij de ommegangen in Noord-Europa, bij de aan de Thraciërs en Phry¬giërs verwante Germanen het geval zijn geweest. De nuchtere Tacitus beschrijft althans het optreden van de Hariërs (Ger¬mania hst. 43) reeds als dat van gewone mensen, die zich echter zwart verfden en zwarte schilden droegen en de nachten uit¬zochten voor hun strijd met de bedoeling „door het angstwekkende van hun dodenheir" de vijand schrik aan te jagen.
Wanneer wij nu nagaan wie het waren die zich in latere tijd als doden vermomden en dan hun extatische ommetochten hielden, dan blijkt, dat dezen steeds deel uitmaakten van besloten genoot¬schappen, als de jongemannenbonden in de dorpen, de gilden in de steden e.d. en steeds is het aan anderen verboden om aan hun handelingen deel te nemen. Ook in de mythe van het Wilde Heir weerspiegelt dit laatste zich, want herhaaldelijk wordt vermeld, dat degeen, die met het gejoel daarvan instemt, op de vreselijkste wijze gestraft wordt. De ommetochten hadden dus blijkbaar iets met die apartheid te maken en wanneer wij nu de genoemde parallellen in Phrygië en Thracië bezien, dan blijkt, dat het ook daar besloten gezelschappen waren, die de ommetochten hielden en wel de ingewijden in de mysteriën van Attis en Dionysos. Deze ingewijden hadden een ritus doorgemaakt, waarbij zij zinnebeeldig stierven en herleefden; zij waren dus cultische doden geworden en in hun vreesaanjagend extatische en demonische optreden stelden zij deze fase ieder jaar opnieuw voor om dan daarna telkens weer een „herleving" door te maken. Hun „anders zijn" dan de overige mensen duidden zij aan door vermommingen, die echter in de tijden, waaruit wij afbeeldingen bezitten, reeds tot gedeeltelijke vermommingen gereduceerd waren: maskers, dierevellen, staarten e.d.

Perchtenlauf  Klagenfurt
 
Wat wij in Noord-Europa zien, is daarmee geheel in overeenstemming, Lilly Weiser, Schurz en vooral Höfler hebben aangetoond, dat in onze streken in de oudheid evenzeer inwijdingsgenootschappen bestonden als in de zuidelijke landen, met dien verstande, dat ze in de tijd dat wij er nader over horen, in de eerste plaats krijgersbonden waren. Wodan, aan wie ze zich wijdden, was immers een krijgsgod, maar dat deze het juist was, die bij de Germanen als inwijdingsgod optrad, had nog een tweede reden. Zoals gezegd, was de inwijding een ritus van dood en herleving en in de mythologie was Wodan de dodengeleider, die de gestorvenen - inzonderheid de gevallen krijgers - naar de dodenwereld bracht. Wij lezen verder over Wodan, dat hij bij bepaalde gelegenheden bezoeken aan de onderwereld bracht en er blijkbaar een zodanige invloed had, dat hij de doden daaruit kon verlossen, respectievelijk kon maken, dat zij niet in het sombere rijk van Hel terecht kwamen, maar de eeuwige gelukzaligheid in het Walhalla konden verwerven. Dit voorrecht hadden in de eerste plaats de in de slag gevallenen, maar daarnaast ook degenen, die reeds gedurende hun leven aan Wodan gewijd waren en dus tijdens hun aards bestaan reeds zijn volgelingen waren, d.w.z. deel uitmaakten van zijn dodenheir: de einheriërs. Wodan speelde hierbij geheel dezelfde rol als de mysteriegoden bij andere volken, zoals Adonis, Attis, Dionysos, Iacchos, Persefone e.a., die ook het vermogen bezaten de doden uit de troosteloze onderwereld te verlossen en hun de eeuwige gelukzaligheid te verzekeren.
De aan Wodan toegewijden hielden dus op gezette tijden, naar wij mogen aannemen op de heidense hoogtijdagen, hun ommegangen. Zij voelden zich vermoedelijk als de aardse vertegen-woordigers van het Walhalse dodenheir als cultische doden n en zij werden door hun omgeving ook inderdaad als doden beschouwd, mede als gevolg vaneen denken, dat die tijd kenmerkte en het mogelijk maakte twee voorstellingen, die onderling tegenstrijdig waren, beide als waar te aanvaarden; terwijl men wist, dat men met levende mensen te maken had, nam men toch aan, dat het doden waren.
Bij de komst van het christendom zullen deze bonden niet direct opgeheven zijn en na hun officiële opheffing zullen zij nog lang in het verborgene hebben voortgeleefd.
Hier en daar bleven zelfs in de volksgebruiken opvattingen, afkomstig uit de oude heidense erediensthandelingen bewaard en vooral in de Alpengebieden treffen wij tot op de huidige dag nog verschillende voorbeelden ervan aan. Een daarvan is het Perchtenlaufen in Tirol, een ommetocht van gemaskerden, die op de avond voor Driekoningen, dus gedurende de laatste der twaalf nachten, gehouden wordt. De naam Percht is afgeleid van Perchta, die in tal van sagen als zielegeleidster optreedt en ommetochten houdt met (ongeboren) kinderen, d.w.z. zielen, of met dwergen. Hoewel daar geen bewijzen voor zijn, is zij, evenals Vrouw Holle, wier naam eveneens pas in christelijke tijd is vastgelegd, vermoedelijk een latere naam voor een godin van de onderwereld of van de aarde. De Perchten trokken in de omgeving van hun geboorteplaats rond onder het geraas van bellengordels, ratels, zwepen, fluiten, kleppers, kettingen, koehoorns enz. Voor bepaalde hoeven werd gedanst, geraas gemaakt en gesprongen en hoe hoger des te beter. In de hitte der extase sprongen zij vaak over heggen en bronnen, waar een mens in gewone omstandigheden niet overheen zou komen. De boer zag dit gaarne, want hoe talrijker de Perchten waren en hoe doller zij sprongen, des te gezegender zou het jaar zijn. Ook hier treedt weer het oude geloof aan den dag, dat de vruchtbaarheid uit de onderwereld voortkwam en dat dus de tot de onderwereld behorenden deze ook konden brengen. De Perchten werden door de boer op drank en spijzen onthaald - geld werd in de regel niet gegeven; men hield zich aan de oude offergaven - en dan ging het met vlugge sprongen en onder oorverdovend geraas verder het dal door, waar bij andere hoeven een herhaling plaats vond.

Holda wordt "De Witte Dame", maar ook "De Zwarte Grootmoeder" genoemd, dit heeft overeenkomsten met het sprookje over Vrouw Holle. Ze is een doodsgodin.
 
Wij konden in het bovenstaande niet volledig zijn en hebben dus slechts enkele hoofdpunten aangestipt, maar er blijkt wel uit en een vollediger studie zou dit nog duidelijker aantonen, dat tal van elementen, die tot de riten der oude inwijdingsbonden behoorden
en in het Wilde Heir hun mythologische projectie hadden, tot op de huidige dag voortleven. Wel is er veel verloren gegaan, heeft bijmenging met andere bestanddelen plaats gehad en is de achter¬grond vrijwel geheel vergeten, maar toch is er nog veel terug te vinden, dat het beeld der oude erediensthandelingen verdui¬delijkt.
1) De naam wordt verschillend gespeld; naast Hellequin komt ook voor Hellekin en Herlekin, van welke laatste naam ons woord harlekijn afkomstig is.
2) Hierbij is het merkwaardig op te merken, dat bijna alle woorden voor masker (het Latijnse larva, het Duitse Larve en Schemen, het Angelsaksische grîma, het Nederlandse momme) ook spook betekenen.
3) De mogelijkheid bestaat natuurlijk ook, dat gebruik en mythe gelijktijdig gegroeid zijn, maar ook dan zal iedere uitbreiding der mythe haar oorzaak hebben gehad in toegevoegde handelingen.

Literatuur.
Alphons de Cock, Volkssage, Volksgeloof en Volksgebruik, Antwerpen, 1918.
C. Elderink, Twente- Laand en Leu en Leven, Enschede, 1937.
F. E, Farwerck, Het teken van dood en herleving en het raadsel van het Angel¬saksische runenkistje, Hilversum, 1953.
Jacob Grimm, Deutsche Mythologie, Giztersloh, 1877.
Karl Helm, Altgermanische Religionsgeschichte, Heidelberg, 1913-1937.
Otto Höfler, Kultische Geheimbünde der Germanen I, Frankfurt a.M., 1934.
Erich Jung, Germanische Götter in christlicher Zeit, München, 1939.
Richard Wolfram, Schwerttanz und Männerbund, Kassel 1939

User avatar
Het Dolle Eland
Administrator
Administrator
Posts: 2605
Joined: Sun 24 Oct 2010, 17:26

Sun 13 Mar 2011, 07:50

Daar ga ik FF voor zitten!

Txs Combi!

:love:
“In individuals, insanity is rare; but in groups, parties, nations and epochs, it is the rule.” ~ Friedrich Nietzsche ~
User avatar
BL@DE
Super QFF-er
Super QFF-er
Posts: 1547
Joined: Sat 09 Oct 2010, 09:54

Sun 13 Mar 2011, 17:04

Heel mooi topic, vaak zit er in zulke verhalen meer waarheid dan men denkt.

Zo dacht ik vroeger altijd bv dat Amazone's een fictief verhaal was, totdat ik een docu onder ogen kreeg...en toen bleek dat deze echt bestaan hebben.

Leuk verhaal Combi. :-)
User avatar
BL@DE
Super QFF-er
Super QFF-er
Posts: 1547
Joined: Sat 09 Oct 2010, 09:54

Sun 13 Mar 2011, 17:17

Wodans Joelfeest

De Winterzonnewende is de periode dat de nacht het langst en de dag het kortst is. Na de 21ste december neemt de zon in kracht toe; de dagen worden weer langer. Met deze Winterzonnewende begint het Joelfeest. Onze heidense voorvaderen vierden de hergeboorte van het licht. Het feest duurt van de eerste volle maan (respectievelijk nieuwe maan) na de winterzonnewende, tot de daarop volgende nieuwe/volle maan. Dit zijn twaalf Joelfeestnachten. Als in christelijke tijd de Juliaanse tijdrekening ingevoerd wordt, legt men het feest vast van 25 december (kerstmis) tot 6 januari (driekoningen). In deze periode van twaalf dagen, lijkt de tijd stil te staan. De nachten zijn lang en donker, de dagen kort en nevelig.

Met grote vuren en luidruchtige (joelen) feesten wilde men het zonnewiel (Joelrad) weer in beweging zetten. Het heidense nieuwjaar begint op 25 december; de eerste dag dat men, in de heidense tijd, kon meten dat het langer licht bleef.

Het Joelfeest is bezield door Wodan. De Alvader heeft een wilde baard, een breedgerande hoed en een lange mantel over zijn stoere schouders. Zijn wijsheid is onmetelijk en voor de kennis van de runen (schrift en zinnebeeld), heeft hij één oog geofferd. In zijn hand heeft hij immer een speer.

Tijdens de winterstormen van december, raast Wodan door wolken. De wind jaagt hij wild voor zich uit, gezeten op zijn achtvoetige schimmel Sleipnir. In z'n kielzog volgt het dodenleger. Dit zijn de helden die, in strijd gestorven, een door de dood gekleurd donker gelaat hebben.

Wodan en zijn schare krijgers jagen op een afschuwelijk monster, de wolf Fenrir. Deze wolf jaagt op de zon. Gedurende de Winterzonnewende zal de wolf de zon bijna verslinden. Als dit gebeurt zal eeuwige duisternis en koude over de aarde dalen.

Wodan verjaagt Fenrir en is dus de hoeder van het licht. Als de binten van de daken piepen en kraken, joelt Wodans wind door de schoorsteen in het dak. Daarbij jaagt hij het bijna gedoofde haardvuur hoog op. Licht en warmte is zijn levensbrengende geschenk.

Image

Tot slot nog deze vijf punten:

1.
Als het in Overijssel begin december stormde, dan zei men dat St. Nicolaas en zijn knecht door de lucht joegen. Dit heeft overeenkomsten met de Wilde jacht van Wodan en zijn Dodenleger (Wilde Heir/Doden Heir).

2.
In de Saksenkroniek wordt verteld dat St.Nicolaas de aanvoerder van het Wilde Heir was. Het Wilde Heir is Wodans Dodenleger!

3.
De zak van Piet is de zak waarin knapen ontvoerd werden door leden van de heidense cultische mannenbonden die de knapen die tot jongelingen inwijdden.

4.
De heidense cultische mannenbonden zijn verbonden met het Doden Heir en met Wodan.

5.
Pieten zijn of leden van het dodenheir van Wodan (zij verblijven in het Walhalla, het zwarte gelaat van de Pieten staat voor de dood), of ze staan voor onderwereldfiguren als Ruprecht, Habergeis en Krampus (Duitsland) die eveneens een zwart gelaat hadden en op Sinterklaasavond verschijnen. Met negerimitaties heeft Piet dus niets van doen!


Conclusie

Zelfs na 1200 jaar christelijke overheersing leeft Wodan nog in ons midden!

Zie verder deze site:
http://www.boudicca.de/sint.htm
User avatar
Achair
Senior QFF-er
Senior QFF-er
Posts: 65
Joined: Thu 26 Aug 2010, 15:19

Sun 13 Mar 2011, 18:52

Dag Blade,
In het Heidens Jaarboek 2003 staat een lang verhaal over Sinterklaas en de verwantschap met Odin. Ik heb hem zelf liggen, maar ik gok dat er copyright op zit.
Misschien kun je het boekje nog krijgen via : http://www.nederlandsheidendom.nl/forum/

Wel maken ze gebruik gebruik van de volgende bronnen:
Jansen, L.,Nicolaas, de duivel en de doden, Utrecht 1993
Booy, F., Sint Nicolaas van A tot Z 1999
Jessica Alkemade

Sun 13 Mar 2011, 19:36

Wodans joelfeest, ik had er nog niet eerder van gehoord. Er ging wel gelijk een belletje rinkelen... In Zweden heet Kerstmis "Jul". Na een beetje onderzoek blijkt ook in Denemarken, Noorwegen en IJsland (Jól dan weliswaar) dat de benaming te zijn voor Kerstmis. Heel interessant!
User avatar
combi
Administrator
Administrator
Posts: 16004
Joined: Sat 21 Aug 2010, 21:27

Sun 13 Mar 2011, 20:28

Dag Blade,
In het Heidens Jaarboek 2003 staat een lang verhaal over Sinterklaas en de verwantschap met Odin. Ik heb hem zelf liggen, maar ik gok dat er copyright op zit.
Misschien kun je het boekje nog krijgen via : http://www.nederlandsheidendom.nl/forum/

Wel maken ze gebruik gebruik van de volgende bronnen:
Jansen, L.,Nicolaas, de duivel en de doden, Utrecht 1993
Booy, F., Sint Nicolaas van A tot Z 1999
maar ik gok dat er copyright op zit.
Veel van die verhalen komen uit boeken voor de copyright Amerikaanse maffia. Er staan bij mij boeken in de kast met soms dezelfde tekst, in oud Nederlandsch dan. Dat overtypen en dan copyright opzetten is niet netjes.

In de link naar de bron naar Nederlands heidendom is idd veel meer te vinden.
http://www.nederlandsheidendom.nl/webstek/
Dat was is ook nog steeds 1 van mijn bronnen zeker voordat we begonnen met het werderbrudertopic.
User avatar
Dromen
Administrator
Administrator
Posts: 5033
Joined: Sat 21 Aug 2010, 06:38

Mon 14 Mar 2011, 03:54

Mooi topic weer Combi!! 8)

Tis voor mij nog wel een beetje onduidelijk wat nou de wilde heir is.
User avatar
combi
Administrator
Administrator
Posts: 16004
Joined: Sat 21 Aug 2010, 21:27

Mon 14 Mar 2011, 06:59

[quote name="Dromen"]Mooi topic weer Combi!! 8)

Tis voor mij nog wel een beetje onduidelijk wat nou de wilde heir is.[/quote]

Heb een hele serie artikels vanuit het boek in m'n gedachte, nu nog uit typen en dan moet het vanzelf duidelijker worden.

Bl@de heeft er al 1 verklapt die onze Vaticaanse boefjes erin verwerkt hebben daar is ook al een artikel over inmiddels.

Overigens als je dodeca volgt zou je ook een hint kunnen halen uit het genoemde "bovennatuurlijk verschijnsel" plasma, donder, Electric Universe, generaties later verworden tot dit gebeuren.
User avatar
combi
Administrator
Administrator
Posts: 16004
Joined: Sat 21 Aug 2010, 21:27

Tue 18 Dec 2012, 17:29

Sinterklaas net geweest en nu hebben we de kerstman weer dus weer tijd om een stukje Germaanse geschiedenis naar boven halen.

Kampus, die stiekem wat weg overeenkomsten heeft met onze eigenste bok baphomet ;) wat natuurlijk zoals altijd puur toeval is :pope:

Image

Krampus is a beast-like creature from the folklore of Alpine countries thought to punish bad children during the Yule season, in contrast with Saint Nicholas, who rewards nice ones with gifts. Krampus is said to capture particularly naughty children in his sack and carry them away to his lair.

knip

Krampusnacht
The Feast of St. Nicholas is celebrated in parts of Europe on December 6. In Alpine countries, Saint Nicholas has a devilish companion named Krampus[10] On the preceding evening, Krampus Night or Krampusnacht, the hairy devil appears on the streets. Sometimes accompanying St. Nicholas and sometimes on his own, Krampus visits homes and businesses.[1] The Saint usually appears in the Eastern Rite vestments of a bishop, and he carries a ceremonial staff. Unlike North American versions of Santa Claus, in these celebrations Saint Nicholas concerns himself only with the good children, while Krampus is responsible for the bad. Nicholas dispenses gifts, while Krampus supplies coal and the ruten bundles.

knip

Krampuslaufen
A Krampuslauf is a run of celebrants dressed as the beast, often fueled by alcohol. It is customary to offer a Krampus schnapps, a strong liqueur.[1] These runs may include perchten, similarly wild pagan spirits of Germanic folklore and sometimes female in representation, although the perchten are properly associated with the period between Winter Solstice and January 6. In larger cities, there may be numerous runs throughout the Advent season.

knip

Other names
The word Krampus (sometimes spelled "Grampus") is a derivation of the old German word for claw,[3] but the creature has many names. Klaubauf is used throughout Austria, while Bartl or Bartel, Niglobartl, and Wubartl are used in the southern part of the country.[1][17] Outside Austria, Krampus and related creatures go by Pelzebock or Pelznickel in southern Germany, and Gumphinckel in Silesia.[2] In Hungary, he is Krampusz[3], and in Switzerland, Schmutzli.[18]

bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Krampus


Hier nog een oude afbeelding uit de Wiener Bilder, 6. Dezember 1896 waar Krampus en Sinterklaas samen nog op bezoek komen.

Image

==================================
En nog een stukje colbert report

Tuesday December 15, 2009
The Blitzkrieg on Grinchitude - Treesus & CHRIST-mas Tree
Washington State offends Treesus, and the CHRIST-mas Tree puts the focus back on Jesus' agonizing crucifixion.

http://www.colbertnation.com/the-colber ... t-mas-tree
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: Dromen
Top
User avatar
combi
Administrator
Administrator
Posts: 16004
Joined: Sat 21 Aug 2010, 21:27

Fri 24 Nov 2017, 12:10



Perchtenlauf Lassendorf 2017 (12.11.2017)
Post Reply

Return to “Geschiedenis”