Mysteriën Der Oudheid

Hier tref je alles aan over de wereld geheimen.
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

zo 07 jul 2013, 16:01

mmmhhh tja eehh mhhhhh met een flinke korrel zout nemen dan maar, maar goed toch gepost:


www.youtube.com/watch?v=GSXiLMppHVQ

http://www.thesaturni.com/

"The fact is, the single greatest power the Saturni possess is their ability to appear exactly like every single person you don’t like.”
Gebruikersavatar
Dromen
Administrator
Administrator
Berichten: 5033
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 06:38

ma 08 jul 2013, 20:23

"Onze angst om iets te verliezen is twee keer zo groot als onze ambitie om iets te winnen."
Gebruikersavatar
nova
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 516
Lid geworden op: zo 22 aug 2010, 16:36

ma 08 jul 2013, 21:13

@ combi

Als ik het verhaal van die Browman goed begrijp heeft hij het verhaal min of meer verzonnen (een bestaand ''verhaal'' gebruikt en er een andere draai aan gegeven) en is de site meer opgezet om de interesse van mensen te wekken met de intentie om uiteindelijk geld te verdienen aan de boeken over deze ''Saturni''( die je via Amazon.com kunt bestellen ).
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

ma 08 jul 2013, 22:01

[quote=""nova" post=73851"]@ combi

Als ik het verhaal van die Browman goed begrijp heeft hij het verhaal min of meer verzonnen (een bestaand ''verhaal'' gebruikt en er een andere draai aan gegeven) en is de site meer opgezet om de interesse van mensen te wekken met de intentie om uiteindelijk geld te verdienen aan de boeken over deze ''Saturni''( die je via Amazon.com kunt bestellen ).[/quote]

Ja aan de hand van een bestaand verhaal/verhalen/sage/mythe. Maar of het doel nu geld is of 'gewoon' zoiets bedenken als wat Baphomet ooit met een paar webpagina's deed, zo makkelijk is het om iets te maken en wat men dan gelooft, toen die tempeliers site enz weet ik nog niet.
Is wel grappig de datum van de posten die geplaatst zijn is "Written on April 1st, 2012"
Gebruikersavatar
nova
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 516
Lid geworden op: zo 22 aug 2010, 16:36

ma 08 jul 2013, 22:21

LoL @ the april fool.

Kan met nog een verhaal heugen over april fool en afgehakte ledematen etc...

Ook wel appart is het kopje ''recipes''...beetje onsmakelijk

Maar goed het lijkt op aandachttrekkerij en als er dan ook nog is reclame voor boeken wordt gemaakt is de kous bij mij vaak snel ''af'' :)
Gebruikersavatar
Dromen
Administrator
Administrator
Berichten: 5033
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 06:38

di 30 jul 2013, 16:09

Terugkomend op de heilige paddenstoel (vorm van vruchtbaarheid, etc.)
(zie: index.php?option=com_kunena&func=view&c ... =120#62857 )

Vandaag kwam ik deze tegen, geen idee of het een hoax is, maar dit past natuurlijk briljant bij de vruchtbaarheid-cultus-theorie:

http://www.williamkwolfrum.com/2010/04/ ... -hes-hung/
Afbeelding
Gebruikersavatar
nova
Super QFF-er
Super QFF-er
Berichten: 516
Lid geworden op: zo 22 aug 2010, 16:36

wo 31 jul 2013, 00:59

[quote=""Dromen" post=74371"]Terugkomend op de heilige paddenstoel (vorm van vruchtbaarheid, etc.)
(zie: index.php?option=com_kunena&func=view&c ... =120#62857 )

Vandaag kwam ik deze tegen, geen idee of het een hoax is, maar dit past natuurlijk briljant bij de vruchtbaarheid-cultus-theorie:

http://www.williamkwolfrum.com/2010/04/ ... -hes-hung/
Afbeelding[/quote]

H-ah! geniali-Teit ..

Dit krijg je als je katholicisme en jehova's samen op 1 hoop gooit.. of paal.. whatever

De pervert..
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

wo 31 jul 2013, 16:42

Over op 1 hoop of zoals hierboven paal :lol: gegooid gesproken.

Veel van de verhalen uit de bijbel en tegenwoordige andere 'heilige' boeken komen uit nog oudere 'vergeten' verhalen. Neem bijv. het Gilgamesj-epos. Wat inmiddels niet meer is 'vergeten' zeg maar.

Mijn oog viel op het vergeten stuk van de Odyssey de telegony.

De telegonie (Grieks: ??????????, T?legoneia; Latijn: Telegonia) is een verloren oude Griekse epos over Telegonus de zoon van Odysseus. Zijn naam ("geboren ver weg") is een aanwijzing van zijn geboorte op Aeaea, ver van Odysseus zijn 'huis op Ithaca. Aeaea is een mythologisch eiland.

Het was onderdeel van de Epische Cyclus van gedichten die de mythes niet alleen van de Trojaanse oorlog, maar ook van de gebeurtenissen die leidden tot en volgde op de oorlog vertelde.
Het verhaal van de telegonie komt chronologisch na die van de Odyssee, en is de laatste episode in de Epische Cyclus. Het gedicht werd soms toegeschreven in de Oudheid tot Cinaethon van Sparta, maar in een bron wordt gezegd dat het is zijn oorsprong heeft uit Musaeus door Eugamon of Eugammon van Cyrene.

bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Telegony

Waar het mij omgaat is het 'vergeten' in combinatie met de kennis over planet Amnesia en met als gevolg de getraumatiseerde mensheid.

Vooral zijn voor mij veel van de mysteriën 'vergeten' hoofdstukken van de mensheid al of niet vertaald naar hoe te overleven als het weer gebeurd. Natuurlijk zijn er ook hele oude mysteriën die je leren naar binnen te gaan en zo jezelf enz enz te ontdekken, zoals het bekende afdalen in de aarde (jezelf) zie bijv. de Mythras grot die oorspronkelijk aan de zijkant ligbaden had waarin men ging liggen om zichzelf zo goed als mogelijk van de buiten wereld af te sluiten. (ergens terug te vinden op qff geen zin om zelf naar te zoeken).

Maar allebei; de gebruiksaanwijzing om te overleven bij een goden (planeten) oorlog zo je wilt of de gebruiksaanwijzing om jezelf in jezelf te vinden hebben een overeenkomstig iets. Meerdere mogelijkheden dus met waarschijnlijk dezelfde bron en of gebeurtenissen.

NIET AF HERSENS LOPEN VAST !!!!! toch maar als hersenscheet gepost maakt het wel af als hersens verder willen

edit:

telegony wat de naam is van het vergeten epos is ook:
telegonie ( geneticaleer volgens welke er erfelijke invloed bestaat van de eerste vader op kinderen van moeder met tweede vader )

Als een vrouw seks heeft gehad met een man, maar een ander trouwt en deze man bevrucht deze vrouw erft het kind ook een zeer klein percentage van de eigenschappen van haar eerdere sekspartner(s).

Dit samen: kennis doorgeven van eerste/andere man (niet bij mens zoogdieren letterlijk) mensheid genen met het vergeten stuk maakt samen in mijn hersens een heel duidelijk verhaal wat ik niet op 'papier' (het net) schijn te krijgen.

the Breakdown of the Bicameral Mind
De volgende gebruiker(s) zeggen bedankt: Dromen, ninti
Omhoog
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

wo 21 aug 2013, 22:06

Bonds of The Past - A Movie by Henry Zemel - Documentary CBC

Immanuel Velikovsky "Collective Amnesia"

The memory of the cataclysms was erased, not because of lack of written traditions, but because of some characteristic process that later caused entire nations, together with their literate men, to read into these traditions allegories or metaphors where actually cosmic disturbances were clearly described.

filmpje hier te vinden: http://archive.org/details/ValikovskyBondsOfThePast
Gebruikersavatar
catacombi
Junior QFF-er
Junior QFF-er
Berichten: 19
Lid geworden op: di 03 sep 2013, 12:33

do 05 sep 2013, 21:44

BATTLE CREEK, Mich. (NEWSCHANNEL 3) - Battle Creek Police make a bust at the Masonic Temple, sources have described as a drug fueled sex party.
Updated: Thursday, August 29 2013, 07:56 PM EDT
http://wwmt.com/news/features/featured/ ... 2271.shtml


Police sources describe the scene on Michigan Avenue out of control, and arrests were made. Now, investigators are working with city leaders to make sure another out of control sex party, doesn't happen again.

It's a secretive organization, sitting right next door to the Battle Creek Police and county courthouse.

"Thank you for calling the beautiful Masonic Temple. For renting our facility, please call Charlie..." says the automated voice message, when you call the Masonic Lodge.

We make a call to Charlie, and told him what police sources described to us as an out of control sex party scene.

Sources told us the first officer to walk inside, was shocked to find a couple performing a lewd sex act, along with drugs, multiple nude women and men videotaping it all behind these closed doors.

Charlie said Freemasons don't go on camera, but told Newshchannel 3 they did not know about the multiple arrests that were made.

He says those who paid $900 to rent this space, told him it was going to be a dancing party. He adds his is not what they stand for, and suspended all future parties.

Police say they plan to find any city code violations, not only against those renting the facility, but also those who run the building.


hhmmmm :-\ tja ???
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 19 sep 2013, 22:08

Artikels zelf maar ga terug zetten want ... plaatjes komen later weet niet waar die zijn gebleven

Mysteriën Der Oudheid, De geheimhouding


Bij alle cultuurvolken werd een deel van hun eredienst geheim gehouden en de priesters die, naast het vervullen van hun godsdienstige taak, vaak de enige waren, die de wijsbegeerte en de wetenschappen beoefende, deelde ook hun zorgvuldig behoede kennis niet aan de massa van het volk mede. Hetzelfde verschijnsel zien wij tegenwoordig nog bij verschillende primitieve volken, maar dat betekend natuurlijk niet, dat de oude volken, die geheime riten bezaten, op hetzelfde beschavingspeil stonden als de tegenwoordige ongecultiveerde volksstammen, een gevolgtrekking, die men maar al te vlug geneigd is te maken. De onjuistheid ervan blijkt echter al direct, als wij de cultuurhoogte der oude volken, zoals Egyptenaren, Babyloniërs, Grieken, Kelten, en Germanen, vergelijken met die der tegenwoordige primitieven.

Afbeelding

Nog meer springt de onjuistheid in het oog , als wij bedenken, dat de te midden van ons wonende vrijmetselaren eveneens geheime ritten bezitten, en niemand zal wel willen beweren, dat deze cultureel op een lager peil staan dan hun omgeving.
De geheim gehouden riten en kennis duidden de oude Grieken met "Mysteria" aan en daarvan is ons "Mysteriën" afkomstig. Het woord "mysteria" treffen wij het eerst aan in de Atheense wetten, die betrekking hadden op de Eleusinische mysteriën en uit omstreeks 460 v. Chr. afkomstig zijn, en vervolgens bij de omstreeks 484 v. Chr. geboren Herodotus van Halikarnassos, de "vader der geschiedenis", die het gebruikte in verband met de mysteriën van Samothrake.

Voor de geheime riten werden echter ook andere woorden gebruikt, teletai (wijdingen) en orgia (handelingen) en deze vinden wij reeds in de Demeterhymne, die uit de zevende of zesde eeuw v. Chr. afkomstig is. Teletai vinden wij het eerst bij Hesiodos (frgmt. 29, blz 211, ed, Goettling) waar het betrekking heeft op de Dionysische mysteriën.

Uit deze gegevens is op te maken, dat het woord oorspronkelijk blijkbaar alleen betrekking had op godsdienstige riten, waar inwijdingen het hoofdbestandsdeel van uitmaakten. Over de afkomst van het woord bestaat al verschil van mening, maar over het algemeen leidt men het af van de wortel "mu", die de betekenis zou hebben van "sluiten" (en dan gebruikt zou zijn ivm. het sluiten der ogen of der lippen, handelingen, die met de inwijdingen samenhingen). Geleidelijk kreeg het woord echter een meer omvattende betekenis en vermoedelijk was het al zeer spoedig, dat men er ook de "geheime leringen" der priesters onder verstond en dan voorts alles, wat verder nog tot het geheim gehouden deel der erediensten behoorde. Tenslotte werden er zelfs openbare riten mee aangeduid, die min of meer met de geheime diensten samenhingen. Het woord werd ook door de christenen overgenomen en als de kerkvaders over "mysteriën" spraken, dan bedoelde zij daarmede bepaalde onderdelen van het christelijke geloof, die het verstand niet bevatten kon of die om bepaalde reden voor niet-christenen geheim gehouden werden. In ons taalgebruik heeft het woord de nog veel ruimere betekenis gekregen van "geheimen", "raadsels", "iets onbegrijpelijks" ed. in de ruimste zin.

Afbeelding
Dionysos masker, Louvre

Het woord "mysteria" treffen wij in de oudheid uiteraard het meest bij de Griekse schrijvers aan en daarnaast in de eerste plaats bij de Romeinen. Het kon zowel betrekking hebben op mysteriën in eigen land als op uitheemse, al bestonden niet in alle landen dezelfde mysterievormen. Egypte was vermaard om zijn geheime priesterwijsheid en vele Grieken togen daarheen om deze deelachtig te worden. Maar toen Strabon, de omstreeks 60 v. Chr. geboren aarderijkskundige uit Amasis in Pontos, in Heliopolis kwam, kon men hem alleen nog de woningen wijzen, waar vroeger de wijsgeren en astronomen gewoond hadden; zij zelf waren echter verdwenen. Alleen in Thebe trof hij er nog aan. De Babylonische priesters bezaten blijkbaar ook geheim gehouden kennis, waaronder vooral geneeskunde en voorts de astronomie en astrologie een grote rol speelden. De latere Perzische magiërs hebben aan hen vermoedelijk een deel van hun kennis ontleend. Bij de Grieken schijnen de priesters de kennis van bepaalde zaken eveneens geheim gehouden te hebben. Rechtstreekse bericht hierover hebben wij niet, maar bij Loukianos, de omstreeks 120 geboren Griekse schrijver, lezen wij, dat de "leugenprofeet" Alexander, die de mysteriën nabootste en zichzelf daarbij een priesterlijke waardigheid toekende, zich ook met orakels en met het genezen van zieken bezig hield, blijkbaar in overeenstemming met hetgeen de erkende priesters verrichten. bij de Kelten, waar de druïde het opschrijven van hun leringen verboden, bezaten deze volgens Caesar geheime kennis van "de loop der sterren", de grootte van de wereld en de aarde, van de natuur der dingen en van de macht der onsterfelijke goden.
Verder over de Egyptische mysteriën schrijvende, bedoelen de oude schrijvers daar in de eerste plaats bepaalde riten mede, die verband hielden met het in de betreffende mythe vast gelegde mysteriedrama van Osiris en die ten aanschouwe van een kleine kring bevoorrechten werden vervuld. Maar ook de zgn. koningsriten, waaronder die van de vergoddelijking van de koning, als mede de andere in besloten kring uitgevoerde priesterriten werden tot de mysteriën gerekend en hetzelfde was het geval met de pas in later tijd --- vooral door het verslag van de in het jaar 130 geboren Romeinse rhetor en satyricus Apuleius, die zijn inwijding beschreef --- bekend geworden Egyptische inwijdingsmysteriën. ook de begrafenisriten, die door de priesters werden uitgevoerd, behoorden, hoewel daarbij ook door de nabestaanden bepaalde handelingen werden verricht, tot op zekere hoogte tot de mysteriën en tenslotte werden sommige openbare rite, die verwantschap vertoonden met de geheime ceremoniën, ook wel met de naam mysteriën aangeduid.

Afbeelding
Kleitablet met daarop een schrijfoefening zuid-Irak; ca. 2200 v.Chr.

Omtrent de Babylonische mysteriën is niet veel bekend en hun bestaan moeten wij hoofdzakelijk uit indirecte gegevens opmaken. De genoemde priesterkennis viel er onder en vermoedelijk ook inwijdingsriten. Dit vermoeden wordt versterkt door het voorkomen van dergelijke riten in Syrië, die ons als Adonis-mysteriën uit Griekse bron zijn overgeleverd en die, naar wij mogen aannemen, aan de Babylonische Tammuz-mysteriën zijn ontleend. De openbare Syrische riten, die er mee samenhingen, werden echter door de Grieken ook met Mysteriën aangeduid. Bij de Phrygische mysteriën, waarin de godin Kybele en de god Attis de hoofdrol speelden, wordt door de oude schrijvers eveneens nauwelijks onderscheid gemaakt tussen de openbare eredienst en de inwijdingsriten, die blijkbaar in nauw verband daarmede voltrokken werden. Zowel het één als de ander werd met de naam mysteriën aangeduid. Hetzelfde was het geval met de Thrakomstige mysteriën van Sabazios en de uit deze landen afkomstige mysteriën van Dionysos, alsmede met de eveneens daaraan ontlede Samothrakische mysteriën der "grote goden". Ook bij de verwante Thebaanse Kaberoi-mysteriën, waarbij openbare eredienst en inwijdingsriten nauw samenhingen, werd het geheel met de naam mysteriën aangeduid.

Bij de Griekse mysteriën van Eleusis was dit eveneens het geval, maar de naam Mithrasmysteriën werd hoofdzakelijk voor de Perzische inwijdingsriten gebruikt. Tenslotte zullen ook wij hetzelfde woord gebruiken voor de Keltische en Germaanse inwijdingsriten, die aan de Grieken en Romeinen onbekend waren, maar die naar de aard en vorm geheel met die, welke wij uit Zuid-Europa kennen, overeen kwamen.
Dit alles in aanmerking nemende, dienen wij ons, als de oude schrijvers over mysteriën berichten, dus steeds af te vragen, wat zij in ieder afzonderlijk geval daaronder verstonden. Dit is vooral nodig, omdat men tegenwoordig bij het spreken over de oude mysteriën veelal in de eerste plaats of zelfs uitsluitend het oog heeft op de inwijdingsriten, de enige vorm der mysteriën, die men in de meeste gevallen kent. Dit heeft ten gevolge, dat men iedere mededeling over mysteriën daarop betrekt, wat, naar uit het bovenstaande blijkt, allerminst juist is.

Wij hebben hierboven gezegd, dat de naam "Mysteriën" zaken aanduidt, die geheim gehouden werden of althans met geheim gehouden riten verband hielden. In de mededelingen der oude schrijvers vinden wij daarvoor tal van bevestigingen. Over de Egyptische mysteriën schrijvende en, naar uit zijn bericht valt op te maken, doelende op geheime ceremoniën, zegt de reeds genoemde Herodotos: "aan dit meer stellen zij des nachts het lijden van de god voor en zij noemen dat de Egyptische mysteriën; intussen moet daarover, hoewel ik er velerlei van weet, het stilzwijgen betracht worden. Ook over het feest van Demeter (de Griekse interpretatie, die Herodotos voor de Egyptische Isis gebruikt) moet ik zwijgen en kan ik slechts zeggen, wat geoorloofd is. Herodotos is hier zo voorzichtig, dat hij zelfs de naam Osiris --- want om deze god gaat het, naar wij uit zijn bericht kunnen opmaken --- niet noemt.
De in dezelfde tijd als Herodotos levende Euripides, één der drie grootse dramaturgen van het oude Griekenland, zinspeelt eveneens op geheimhouding, in dit geval ten aanzien van de Dionysische mysteriën, als hij in zijn Bakchantenfeest koning Pentheus de vraag laat stellen: "Welke zin heeft dit feest?" en dan Dionysos laat antwoorden: "voor niet-ingewijden blijft deze altijd vreemd". Iets later schreef de Griekse filosoof Lysis van Tarentum (geb 390 v. Chr.) over de wijsbegeerte, die hij met mysteriën vergelijkt. Hij stelde daarbij vast, dat de wijsbegeerte niet aan de eerste en beste geopenbaard werd, evenmin als de mysteriën aan de profanen werden medegedeeld.

Enige eeuwen lang horen wij dan, om later nog te bespreken redenen, niet veel over de mysteriën en dus ook weinig over de geheimhouding, die daarbij in acht genomen moest worden, maar als wij er dan weer over gaan lezen, is deze geheimhouding nog altijd een belangrijk punt. De in de eerste eeuw v. Chr. op Sicilië levende Griekse geschiedschrijver Diodoros bericht ons over verschillende mysteriën en zegt dan oa. dat de mysteriën slechts in het geheim werden medegedeeld. Omtrent de mysteriën van Samothrake zegt hij, dat niemand, behalve de ingewijden, daar iets van wist. Ook in het algemeen over mysteriën sprekende vertelt hij, dat het niet geoorloofd was om niet-ingewijden nauwkeurige mededelingen te doen.

Afbeelding
Apollon (opera Garnier)

Ploutarchos (van 40 tot 120), die zelf priester van Apollon in Delphoi en in verschillende mysteriën ingewijd was, schrijft in zijn boek "over Isis en Osiris" ook over de Egyptische mysteriën en zegt dan aan het slot: "zoveel moet men zeggen van alles, wat gesluierd is in de mysteriën, van alles wat geheim gehouden wordt bij de inwijding en van alles, wat verborgen gehouden wordt voor de ogen der menigte". Hij laat daaraan echter wel enige bijzonderheden over de mysteriën voorafgaan, wat in overeenstemming was met de algemene opvatting, dat niet alles, wat de mysteriën betrof, geheim gehouden behoefde te worden. De geheimhouding had vooral betrekking op de verborgen kennis der priesters, de uitgevoerde riten, de tekst der heilige formules, de getoonde heilige voorwerpen en soms op de naam van de godheid. Daarentegen was het blijkbaar wel geoorloofd een samenvatting van de cultische mythe te vertellen, waarvan de bijzonderheden echter alleen voor ingewijden bestemd waren. Geheim waren evenmin de verwachting ten aanzien van het hiernamaals, die men aan de inwijdingen vastknoopte, maar wel de wijze, waarop deze verwachting in de riten werden opgewekt. Als reden voor de geheimhouding wordt in het algemeen de bijzondere heiligheid der mysteriën genoemd, die men verre moest houden van de ogen der profanen. Strabon meent zelfs dat het verbergen der heilige handelingen de godheid eerwaardiger maakte. Hij ziet daarin blijkbaar de voornaamste reden voor die geheimhouding en andere schrijvers noemen soortgelijke motieven.

Uit de tweede eeuw onzer jaartelling bezitten wij over deze geheimhouding nog een duidelijke aanwijzing van Pausanias, die over de door hem gemaakte tochten een tiental boeken schreef, welke hij daarom "rondreis" noemde. Hij spreekt daarin ook over de inwijdingen van Eleusis en zegt dan: "wat binnen de muren van het heiligdom plaats greep, verbood de droom mij neer te schrijven, want het spreekt vanzelf, dat niet-ingewijden datgene, wat hun niet veroorloofd is te zien, ook niet ervaren mogen". Hij gaat zelfs nog verder, want elders in hetzelfde werk zegt hij, sprekende over de korybanten, de volgelingen van de Phrygische Kybele, die een rol speelden bij de Attis-mysteriën, dat hij de hun betreffende sagen opzettelijk verzwijgt. Voordat de mysteriën aan de kandidaten werden medegedeeld, resp. voor zij de riten bijwoonden of doormaakte, werd vermoedelijk een eed van geheimhouding geëist en Cumont meent in een tamelijk verminkte Griekse papyrus de tekst gevonden te hebben van de eed, die de ingewijden bij hun opneming in de Mithras-mysteriën moesten afleggen: ".... ik zweer .. ... te bewaren ( de geheimen van) de mysteriën, die mij zijn overgebracht (door) Vader Serapion .. ... de heilige heraut Ka (utaupates, op wie die taak) rust en door mijn eveneens (ingewijde) broeders".

De geheimhouding is zelfs eens de aanleiding tot of althans het voorwendsel voor een oorlog geweest, want hiertoe heeft een schending daarvan geleid. De in 59 v. Chr. geboren Romeinse geschiedschrijver Livius deelt ons nl. mede dat Philippos van Makedonië, vader van Alexander de grote, de Atheners om de volgende reden de oorlog verklaarde: "twee jongelingen uit Akarnanië (het meest westelijke deel van Griekenland) hadden tijdens de feesten van Eleusis, zonder ingewijd te zijn en onbekend met de godsdienstige gebruiken, in het gedrang der menigte de tempel van Ceres (de Romeinse naam voor Demeter) betreden. Hun taal verried hen gemakkelijk, omdat zij enige dwaze vragen stelden; zij werden voor de bestuurders van de tempel gebracht en. hoewel duidelijk bleek dat zij uit vergissing de tempel betreden hadden, ter dood gebracht".
Niet alleen de tempelpriesters zorgden voor het bewaren der geheimen, maar zij werden daar, waar de mysteriën een staatsinstelling waren, hierin door de regering gesteund. Zo is het bijv. bekend, dat Aischylos, de oudste Griekse treurspeldichter, (geb. 525 v. Chr.) aangeklaagd werd, omdat hij in zijn stukken mysteriegeheimen zou hebben geopenbaard. Nu hadden verschillende van de drama's van Aischylos betrekking op de Dionysische mysteriën en zijn bassarai, Kabeiroi, Hedonoi en Pentheus werden bij de Dionysos-feesten te Athene opgevoerd. Het was dus vermoedelijk hierin, dat hij mysteriegeheimen te berde had gebracht en zijn kennis omtrent deze zaken had hij waarschijnlijk op zijn reis naar Thrakië opgedaan. Hij kon zijn onschuld bewijzen door aan te tonen, dat hij in het geheel niet ingewijd was.

Afbeelding
Tempel van Cerres

Niet alleen behoede de staat zorgvuldig de geheimhouding der mysteriën, maar hij zorgde er ook voor, dat deze instellingen niet werden bespot. Naar Ploutarchos meedeelt, werd Alkibiades, Grieks staatsman en veldheer (geb. omstreeks 450 v. Chr.), door Thessalos uit Lakia aangeklaagd wegens beledigingen van de godinnen Demeter en Persephone, omdat hij de inwijdingsceremoniën nagebootst en te zijne huize voor zijn vrienden vertoond had. Daarbij zou hij een gewaad gedragen hebben, zoals de hogepriester dit droeg als hij de heilige voorwerpen toonde, en zichzelf "hogepriester" genoemd hebben, Polyton "fakkeldrager", Theodoros "heraut" en zijn andere vrienden "gelovigen" (ingewijden in de kleine mysteriën) en "ingewijden" (in de grote mysteriën). dit alles was in strijd met de voorschriften zoals de priesters van Eleusis die hadden uitgevaardigd. Alkibiades werd bij verstek ter dood veroordeeld, waarbij zijn vermogen geconfisqueerd werd, en zijn vrienden werden terecht gesteld. Blijkbaar vond men een dergelijk optreden algemeen zeer ongehoord, want Pausanias, die ruim 500 jaren later leefde, deelde mee, dat men hem, bij zijn bezoek aan Athene, nog het huis toonde, waar het wangedrag van Alkibiades had plaats gevonden.
Spotternijen werden ook veel later nog niet geduld en Diogenes Laertios, Griekse schrijver uit het begin der derde eeuw, deelt het volgende mede over de "atheïst" Theodorost, die zich tegenover de hierophant Eurikleides een overigens meer flauwe dan kwaadwillige grap veroorlooft had. Toen hij eens bij de hogepriester vertoefde, zeide hij tot deze: "zeg mij, Eurikleides, wie zijn misdadigers tegen de heiligheid der mysteriën?" Op het antwoord: "diegene, die de geheimen aan niet-ingewijden verraden" merkte Theodoros op: "Dus ook gij begaat een misdaad, als ge er (bij de inwijding) met niet-ingewijde over spreekt?" De hogepriester ontstak hierover in toorn en de grappemaker ontkwam ternauwernood aan het gevaar voor het gerechtshof van de areopagos gedaagd te worden, waarvoor slechts de invloedrijke Demetrios Phalereus hem wist te behoeden.

Natuurlijk was het ook niet geoorloofd zich op ontoelaatbare wijze van de geheimen der mysteriën op de hoogte te stellen en volgens Boitische overleveringen zouden, naar de neoplatonische filosoof synesios (+/- 370 - 425) ons meedeelt, degene, die zich in de geheime riten van Dionysos wilde indringen en deze bespioneerden, vroeger aan stukken gescheurd zijn. Deze overlevering hing waarschijnlijk samen het hetgeen in het drama "Penteus" van Euripides vermeld wordt, waar deze koning, als straf voor zijn nieuwsgierigheid, door bakchanten werd verscheurd.

Afbeelding
Pentheus torn apart by Agave and Ino,Louvre

Op geheimhouding wijst ook, dat ons enige formules zijn overgeleverd, die blijkbaar toegang tot bepaalde riten verleenden, maar daarnaast ook een herkenningsmiddel voor de ingewijden onderling waren. Wij zullen die bij de verschillende mysterieriten nog nader bespreken. Ook hadden de ingewijden bepaalde tekens, waarmede zij zich als zodanig konden kenbaar maken. In één van zijn toneelstukken laat Titus Maccino Plautus (geb. omstreeks 253 v. Chr.), zeggen: "geef mij het teken, als ge een ingewijde van Bacchus zijt". Het ging hier blijkbaar om een ander herkenningsmiddel dan een formule. Ook uit de woorden van Apuleius is iets dergelijks op te maken. Hij was aangeklaagd van toverij en in zijn overgeleverde apologie verdedigd hij zich tegen deze verdachtmaking. Als het dan gaat om een bevestiging, die alleen een in mysteriën ingewijde zou kunnen geven, zegt hij: "als er soms iemand is, die dezelfde plechtigheden heeft doorgemaakt als ik, laat hij dan het teken geven"en dan kunnen zijn aanklagers de verklaringen van getuigen horen. "want", laat Apuleius er op volgen, "ik laat mij nooit, door welk gevaar ook, er toe dwingen, datgene, wat ik onder het zegel van geheimhouding ontvangen heb, te verraden".
De verplichting tot geheimhouding, die de mysteriën omringde, bleef tot de opheffing dezer instellingen, en dus nog vrij lang in christelijke tijd voortbestaan, wat ook door verschillende christelijke kerkvaders bevestigd wordt. Titus Flavius Clemens van Alexandrië, die in het jaar 200 overleed ---- zijn geboorte jaar is niet bekend ---- was voor zijn bekering een heidens filosoof en naar gezegd werd, in verschillende mysteriën ingewijd. hij heeft het in zijn werken herhaaldelijk over de mysteriën en ook over de geheimhouding daarvan. Zo zegt hij, dat de Egyptenaren hun mysteriën, waarmee hij kennelijk de geheime leringen bedoelt, "niet aan de eerste de beste toevertrouwden en dat zij aan de profanen niet de kennis der goddelijke dingen openbaarden, maar alleen aan hen, die eens de troon zouden bestijgen en van de priesters alleen aan hen, die door levensopvatting en afkomst als de besten golden". Niettegenstaande hij als prediker van het christendom het heidendom bestreed, had hij voor de mysteriën nog wel eens een goed woord over, want elders in hetzelfde werk zegt hij, duidende op mysterieriten: "degene die de mysteriën instelden, verborgen als wijsgeren hun leringen in mythen. Voorkwamen zij niet, door (op die wijze) menselijke dingen te sluieren, dat onwetende ze toepaste, en was het niet zegenrijker voor de heiligen en gezegende de overpeinzing der waarheden verborgen te houden?"

Hippolytos, de kerkvader uit het einde der tweede en het begin der derde eeuw, schreef "weerlegging van alle ketterijen" en had het daarin ook over Naässeners, één der genostieke sekten. volgens hen zouden de Egyptenaren, "die na de Phyrygiërs de oudste mensen zijn en die, zoals bekend, het eerst aan andere mensen alle riten en erediensten en ideeën en krachten" hadden medegedeeld, "de heilige, eerwaardige en aan niet-ingewijden niet mede te delen mysteriën van Isis"bezeten hebben. Gregorius Nazianzenus een Grieks kerkvader (geb. omstreeks 330), stelt de geheimhouding, die de heidenen ten aanzien van hun mysteriën betrachten, zelfs de christenen ten voorbeeld en in een in 380 uitgesproken rede vermaant hij hen "het niet uit te sprekene niet aan het oor der profanen prijs te geven" en zich niet te laten beschamen door de demonen vereerders, "die eerder hun bloed dan, waar het bepaalde dingen betreft, hun woorden de niet-ingewijden iets zouden meedelen".

Ook de omstreeks 340 geboren kerkelijke leraar Arnobius de oude zegt, dat de mysteriën slechts aan enkelen bekend gemaakt werden. Hoewel de kerkvaders in hun beschouwingen over de mysteriën zich niet hebben toegelegd op objectiviteit, en veelal verschillende mysteriën dooreenmengen, ontvangen wij toch uit hetgeen zij mededelen vaal aanwijzingen, die ons helpen bij het vormen van een beeld omtrent de oude mysteriën. Zo lezen wij bij Firmicus Maternus, die in 347 een geschrift publiceerde, "over de Dwalingen der heidense Godsdiensten", waarin hij de keizers uitnodigde een einde te maken aan de overblijfselen van het heidendom, over het bestaan van herkenningsmiddelen, waar hij zegt: "wij willen nu uiteenzetten, aan welke tekens en zinnebeelden de ellendige mensenbende zich bij haar bijgelovige samenkomsten herkent. Zij hebben nl. eigen tekens, eigen woorden, die hun bij deze schandelijke bijeenkomsten de school van de duvel geleerd heeft." Jammer genoeg beschrijft hij de tekens niet, maar geeft alleen enkel formules, die wij bij de mysteriën van Attis en van Eleusis zullen bespreken.

Afbeelding
Attis

Het is te begrijpen, dat, gezien de bestaande zwijgplicht de oude schrijvers van datgene, wat niet medegedeeld mocht worden, weinig of niks zeggen. En als zij er iets over meedelen, dan is dat nog in zulke duistere woorden vervat, dat alleen bijzondere omstandigheden ons er iets van laten begrijpen. Zo lezen wij bijv. bij de reeds genoemde Apuleius, als hij zegt mede te zullen delen, wat hij bij zijn inwijding doormaakte, het volgende: "Misschien vraagt ge nu thans nieuwsgierig, goedgunstige lezer, wat nu gesproken en gedaan is,. Hoe gaarne zou ik het u zeggen, als ik het zeggen mocht! Hoe heilig zoudt ge het ervaren, als het geoorloofd was! Maar tong en oor zouden even zwaar voor het vergrijp moeten boeten. Maar het zou u kunnen schaden, als ik uw vrome nieuwsgierigheid zo op de pijnbank legde; hoor dus en geloof, vertrouw, het is waarachtig. Ik ging tot aan de grens van de dood en nadat ik de drempel van Proserpina (de godin van de onderwereld) betreden had, keerde ik, door alle elementen heen gedragen terug ; te middernacht zag ik de zon van wit licht flonkeren, ik kwam van aangezicht tot aangezicht voor de onderaardse en bovenaardse Goden en aanbad hen vanuit naaste nabijheid! Ziet! nu hebt ge alles gehoord; maar ook begrepen? Onmogelijk!"
Toch heeft Apuleius met deze woorden aan ons meer verraden dan aan zijn land- en tijdgenoten en wij komen op zijn mededelingen dan ook uitvoerig terug. Niet alleen horen wij niet veel van de heidense schrijvers, maar ook de christelijke tonen op enkele uitzonderingen na een opmerkelijke terughoudenheid. Dit alles is des te opvallender, omdat er onder hen waarschijnlijk verschillende waren, die voor hun bekering tot de ingewijde behoorden, en zij in ieder geval met vele bekeringen in aanraking moeten zijn gekomen, die eens ingewijden in de heidense mysteriën waren geweest! Slechts bij uitzondering echter horen wij van hen iets, dat ons enige opheldering geeft.

Toen de mysteriën geestelijk op hun hoogtepunt stonden, werd de geheimhouding, naar wij mogen aannemen, het strengste gehandhaafd. Maar in de loop der tijden kwamen verschillende mysteriën min of meer in verval; de eisen voor toelating werden minder streng, de toeloop werd groter en uit deze schijnbare bloeitijd, waarin de riten vermoedelijk ook minder streng in acht genomen werden, bereikten ons zelfs berichten over ontaarding, die met allerlei uitspattingen gepaard gingen, zoals bijv. de reeds genoemde Livius ons over de Bacchische (Dionysische) mysteriën in Rome meedeelt. Maar het verwonderlijke is, dat zelfs in deze vervaltijd de geheimhouding, die de ingewijden ook toen nog wel zal zijn opgelegd, zo goed bewaar gebleven is. Dit zou bij het grote aantal, vaak blindelings toegelaten deelnemers een waar wonder zijn, indien hetgeen geheim gehouden moets worden alleen of in hoofdzaak de vorm zou hebben gehad, van een in begrippen vervat en verder in woorden medegedeeld onderricht. Dit was echter zoals wij nog zullen zien, niet het geval.



bron: De mysteriën der oudheid en hun inwijdingsriten F.E. Farwerck, uitg. Thule 1960
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 19 sep 2013, 22:10

Mysteriën Der Oudheid, De Bronnen


De verplichting tot geheimhouding is wel één van de voornaamste redenen, waardoor onze kennis over de oude mysteriën in de verschillende landen zo onvolledig gebleven is, een verdere reden is, dat van het vroeger toch nog te boek gestelde slechts weinig tot ons gekomen is, want veel is in de loop der tijden ongetwijfeld verloren gegaan. Dit heeft allerlei oorzaken gehad en ten dele is hier vrij zeker opzet in het spel geweest. Vermoedelijk is dit bijv. het geval met het werk van een zekere Celsius, een Romeinse schrijver uit de tweede eeuw, die een boek tegen het christendom schreef. Hierin heeft ook allerlei over de mysteriën gestaan, zoals wij weten uit een omvangrijk daartegen geschreven werk van Origenes Adamantius, een Leeraar der christelijke kerk, die van 185 - 254 leefde en een heftig bestrijder van het heidendom was.

Afbeelding

Hier en daar haalt hij wat aan, wat Celsius in verband met de mysteriën vertelde, maar ongetwijfeld heeft diens boek meer over dit onderwerp bevat. Aan het spoorloos verdwijnen van alle afschriften zal de kerk wel niet vreemd geweest zijn. Ook uit andere verdwenen boeken zijn ons enige malen enkele zinsneden overgeleverd, die op de mysteriën betrekking hebben, maar soms vernemen wij alleen de titel of alleen de schrijver. Zo spreekt de reeds genoemde Clemens van Alexandrië over een boek van een zekere Ikesios, dat over de mysteriën handelde, maar van het boek zelf is niets tot ons gekomen. Hetzelfde geldt voor de vier boeken over de mysteriën van Mithras, die Euboulos volgens Porphyrios, een neoplatonische wijsgeer uit de derde eeuw, geschreven zou hebben en voor hetgeen Diagoras, naar uit Cicero blijkt, over de mysteriën van Samothrake te boek stelde, al zijn hiervan dan ook enige fragmenten bewaard gebleven. Naar het schijnt hadden ook de priesters der oude erediensten, althans wat sommigen daarvan betreft, gegevens over hun mysteriën te boek gesteld (zie stukje in forum). Deze geschriften, die natuurlijk zorgvuldig behoed werden en slechts aan enkelen ter inzage gegeven werden, zijn echter geen van alle tot ons gekomen. Zijn er dus veel, voor ons waardevolle gegevens verloren gegaan, daar staat tegenover, dat vrijwel alles wat in oude handschriften bewaard gebleven is, tegenwoordig in gedrukte verzamelwerken of in uitzonderlijke uitgaven te onzer beschikking staat, al is het dan ook verspreid over een groot aantal boeken. Dit zijn dan zowel mededelingen van heidense als van christelijke schrijvers, waarbij er rekening mede gehouden moet worden, dat de laatsten, naar blijkt, vrij onbetrouwbaar zijn. Het was er hun nl. om te doen materiaal naar voren te brengen ter bestrijding van het heidendom en niet, zoals reeds gezegd, om een objectief verslag van de mysteriën en dit is uit hun geschriften goed merkbaar. voor een klein deel hebben de mededelingen, die ons bereikten betrekking op de geheime leringen der priesters en dan zijn het nog meestal verwijzingen daarnaar zonder de leringen zelf te benoemen.

AfbeeldingAfbeelding

Een uitzondering hierop vormt bijv. het bericht van Platon, de Griekse wijsgeer (geb. 427 v. Chr.), in zijn "Timaios" en 'Kritias" over het verhaal betreffende Atlantis, dat Solan, de Atheense wetgever (geb. omstreeks 640 v. Chr.), van de Egyptische priesters zou hebben vernomen. Ook is iets bekend geworden over hun sterrenkunde, vooral in verband met het zgn. "priesterlijk jaar" en uit Babylonië horen wij eveneens enige bijzonderheden over de daar door de priesters beoefende astronomie en veel over hun geneeskunde. Ook over de geheim gehouden gedeelten der inwijdingsriten horen wij maar weinig, al zijn de berichten, wat de algemene beschouwingen daarover betreft, iets uitvoeriger. Over de geheime tempelriten en semi-openbare betekenisriten geven de tot ons gekomen geschriften slechts weinig opheldering, met uitzondering van de Egyptische, waarin de begrafenisriten en ook de koningswijdingen vrij volledig tot ons gekomen zijn. Iets uitvoeriger zijn natuurlijk de mededelingen over de openbare riten, maar ook deze zijn over het algemeen verre van volledig. Over al deze onderwerpen moeten wij ons in de regel tevreden stellen met toespelingen in plaats van met duidelijke uiteenzettingen. Gelukkig blijkt uit de vergelijkingen van het beschikbare materiaal, dat er in de verschillende landen een zekere overeenkomst bestond tussen de daar bestaande openbare riten en die, welke tot het geheim gehouden deel van de eredienst behoorden. Dit ging echter niet zo ver, dat wij de riten van de openbare of van één der geheime diensten zonder meer voor de andere geheime ceremoniën kunnen overnemen en wij mogen dus niet, om een concreet voorbeeld te nemen, de Egyptische begrafenisriten of de riten tot vergoddelijking van de koning, op grond van de mogelijke gelijksoortigheid, als richtsnoer nemen voor de Egyptische inwijdingsriten, waarvan ons voor de Hellenistische tijd niets bekend is, teminder, omdat hetgeen wij er dan van horen meer Grieks dan Egyptisch is. Alleen als er directe aanwijzingen zijn, dat op verschillende punten overeenkomsten bestaan, is het geoorloofd ook andere overeenkomsten te veronderstellen, maar ook dan alleen nog als mogelijkheid.

De in handschriften overgeleverde mededelingen worden niet onbelangrijk aangevuld door de archeologische vondsten. Daarbij denken wij natuurlijk niet alleen aan de opgegraven tempels en beeldhouwwerken, maar ook aan de ontcijferde teksten in hiëroglyfen, spijkerschrift ed. Deze zijn vaak belangrijker dan de handschriften, want de schrift soorten, die er voor gebruikt werden, waren in de verschillende landen alleen aan de priesters bekend, voor wie de geheimhouding blijkbaar in veel mindere maten gold; het gevolg is, dat er allerlei bijzonderheden vermeld worden, die voor de massa van het volk in die tijd geheim gehouden werden. Daarnaast hebben wij nog de beschikking over groten aantallen andere inscripties, die in verschillende verzamelingen bijeengebracht zijn en wel voornamelijk Griekse en Latijnse. Hierbij zijn echter ook tot nu toe onleesbare, zoals die, welke in de nog niet bekende taal van Samothrake zijn geschreven. in de regel zijn al deze inscripties slechts zeer kort (hoewel daar ook uitzonderingen op zijn), zodat zij ons in de meeste gevallen slechts aanduidingen voor mogelijkheden geven of of bevestigingen van hetgeen wij uit andere hoofde reeds weten. Naast de inscripties hebben wij ook nog de beschikking over gegraveerde, getekende of geschilderde voorstellingen. In Egypte zijn tal van riten in beeld gebracht, meestal ter begeleiding van de erbij staande teksten. In Griekenland worden wij over rituele handelingen vooral ingelicht door de geschilderde voorstellingen op vazen, maar daarnaast ook door verschillende beeldhouwwerken.

Afbeelding

Soms gaan de afbeeldingen tot in een zeer ver verleden terug en dan is de gevonden voorstelling in de regel het enige, dat ons op volbrachte rituele handelingen wijst. Eén der eigenaardigste vondsten is in dit verband wel die van een gravering in een grot op Sicilië


+/- vanaf 1:30

In deze grot was gedurende de oorlog 1939 - 1945 ammunitie opgeslagen en men wist na de vredessluiting niet beter te doen, dan de niet meer nodige voorraad in de grot te laten ontploffen. Dit had het eigenaardige gevolg, dat de druipsteen, waarmee de wanden van de grot bedekt waren, er af barsten en dat er graveringen zichtbaar werden. Deze graveringen gingen door tot onder de aarde, waarmee de grond voor een deel was aangevuld, en toen men die wegruimde, bleken zich in deze grond voorwerpen uit het paleolithicum te bevinden, waardoor het dus vast kwam te staan, dat ook de graveringen minstens uit dit tijdperk waren, dwz. dat zij ouder waren dan 12000 jaar en dus mogelijk uit dezelfde tijd stamden als de beroemdste tekeningen in de Spaanse en Franse grotten van Altamira, Trois Freres, Lascaux ea.

Afbeelding
graffiti dell'Addaura

In de Siciliaanse grot waren allerlei voorstellingen van mensen en dieren en daaronder was er ook één, die ongetwijfeld een een rituele handeling voorstelt (zie afbeelding hierboven) Wij zien daarop twee figuren op de grond liggen, die naar het schijnt gebonden zijn en daaromheen staan een aantal mannen met opgeheven armen. twee daarvan hebben een vogelmasker voorgebonden, terwijl een derde een ander soort vermomming draagt. Links onderaan staan een man en een vrouw. Deze voorstelling kan natuurlijk van alles betekenen, maar het opvallende is, dat wij een soortgelijke tekening uit een ruim 8000 jaar latere periode onder de Zweedse rotstekeningen aantreffen, die darr in de bronstijd (1600 - 800 v. Chr.) werden gebeiteld. Op deze tekening zie wij een op de grond liggende man en naast hem staan twee anderen, die door horens en staart een dieren vermomming aanduiden. Eén dezer heeft in de omhoog geheven rechterhand een bijl, terwijl de armen van de tweede weggevaagd zijn. In ieder geval hangen zij niet omlaag en waren dus wellicht ook omhoog gestoken. Linksboven deze voorstelling zijn wij een vrouw en wederom een man, die een cultische dieren vermomming draagt, en blijkbaar stelt dit een huwelijks scene voor.

Afbeelding

Nu is het aan de ene kant hoogst merkwaardig, dat niettegenstaande het grote verschil in tijd en plaats, twee gelijksoortige voorstellingen worden aangetroffen, zodat men geneigd is hierin een, al is het dan zeer bijzonder, toeval te zien, maar anderzijds treffen wij in tal van nog te bespreken mysteriënriten en scene van dood en wederopstanding aan, waarbij vermomde priesters een rol spelen, en ook hier wordt deze veelal gevolgd door een hieros gamos (zie stukje in forum), een heilig huwelijk met de mysteriegod. Als wij nu bedenken, hoe zelfs in historische tijd met een onbegrijpelijke taaiheid is vastgehouden aan allerlei oude riten en gebruiken, waarvan wij zelfs nog tot op onze dagen de sporen aantreffen, dan is het niet ondenkbaar, dat de hier bedoelde riten, zie zelfs tegenwoordig nog in verwante vormen voorkomen, inderdaad een onvoorstelbaar lang verleden hebben. Van een dergelijk oeroude overlevering biedt misschien ook onderstaande afbeelding, een graf uit de Cro-Magnon-tijd (in het jongere Paleolithicum) een voorbeeld.

Afbeelding

Wij zien daarop een dode met gekruiste benen, de rechterhand op de borst en de linker omhoog geheven. Nu hebben wij reeds gezegd, dat begrafenis- en inwijdingsriten vaak overeenkomsten vertoonden, die ook wel te begrijpen zijn, want terwijl de eerste ceremoniën zijn, die bij een werkelijk gestorvenen werden verricht, hadden bij een inwijdingsritus handelingen plaats, waarbij de kandidaat een ceremonie van dood en herleving doormaakte en dus een"cultische dode" werd. De houding van de dode in het Cro-Magnon-graf vinden wij nu vanaf het verre verleden tot op de huidige dag bij inwijdingsriten terug en het is dus niet onmogelijk, dat zij in de oude tijden, behalve bij begrafenisriten ook bij de inwijdingen een rol speelden. Een bewijs hiervoor bezitten wij echter niet.

Tenslotte kunnen wij nog allerlei gegevens ontlenen aan de bij de inwijdingen, de geheime en de openbare riten behorende mythen. Men heeft lang gemeend, dat de mythe het uitgangspunt was en dat zij als voorbeeld gediend heeft voor rituele handelingen. Dit is echter onjuist gebleken en men heeft ontdekt, dat het juist andersom gegaan is. In deze, bij de riten behorende verhalen hebben hebben wij een mythologische neerslag te zien van de godsdienstige handelingen, die primair waren. Wel kan later, aan de hand van een eenmaal gevormde mythe een rituele handeling verricht worden, maar dan hebben wij met een secundair verschijnsel te maken. Hierop komen wij hieronder nog uitvoerig terug.
Dat de mythe de neerslag van de rituele handeling is, houdt echter niet in, dat wij op grond daarvan de riten mogen reconstrueren. In de mythe zijn vaak allerlei bestanddelen dooreen gemengd; men heeft haar met niet tot de ritus behorende onderdelen uitgebreid, haar vermengt met bij andere volken bestaande mythen en meestal in de loop der eeuwen zo vervormd, dat de rituele sporen er vaak nauwelijks in terug te vinden zijn. Ook de opzet was al dikwijls geheel anders dan bij de riten, omdat de mythen voor alles een, althans schijnbaar logisch verhaal moesten vormen. Dit lukte niet altijd en zo zien wij bij eenzelfde ritus dikwijls verschillende min of meer van elkander afwijkende mythen. De overgeleverde mythen kunnen dan ook, evenals de inscripties alleen dienen om datgene, wat wij uit andere hoofde van de riten kennen, te verduidelijken en dit, op zeer voorzichtige wijze gebruikt, een enkele keer aan te vullen.

Zijn dit de oudere, ons ter beschikking staande bronnen, dan hebben wij daarnaast nog een bron uit jongere tijd, die echter met dezelfde voorzichtigheid als de mythen gebruikt moet worden. Er bestonden nl. in de oudheid naast de godsdienstige handelingen, die door een officiële priesterschap geleid werden, volksgebruiken, die daar in wezen mede overeenkwamen, al waren er in de wijze van uitvoering natuurlijk min of meer belangrijke verschillen. Toen het christendom zegevierend uit de strijd met het heidendom te voorschijn trad, was het natuurlijk, althans officieel, met de heidense erediensten gedaan, maar het volk hield overal aan de oude, overgeleverde volksgebruiken vast en vulde die ook wel aan met aan de oude eredienst ontleende bestandsdelen. Eeuwen lang zien wij dan de kerk hiertegen strijd voeren en wel volgens een bepaalde methode. Allereerst probeerde zij de gebruiken uit te roeien om ze, als dit niet lukte in christelijke richting om te buigen en te laten voorbestaan. Maar ook dan zien wij, hoe de kerk nog telkens pogingen doet om het volk ervan af te trekken, niet omdat zij de mensen het daarmede samenhangende genoegen niet gunt, maar omdat de kern toch altijd uit heidense geloofsopvattingen bestond. Toen deze tenslotte vrijwel geheel verloren waren gegaan, bleef de bevolking veelal nog stug aan de uiterlijke vormen vasthouden. Het was echter niet tegen te houden, dat zij, niettegenstaande de taaiheid, die ten deze getoond werd, geleidelijk verbasterden door het opnemen van vreemde en het laten vallen van oorspronkelijke niet te ontberen bestandsdelen. Desniettegenstaande zien wij soms in de latere volksgebruiken nog overeenkomsten met de oude riten, maar het zal wel duidelijk zijn, dat wij met deze gegevens een grote terughoudenheid moeten betrachten.

Alles tezamen genomen kunnen wij ons wel een voorstelling van de mysteriënriten maken en hier en daar van onderdelen zelfs een vrij gedetailleerde voorstelling. Een volledig beeld te geven is echter onmogelijk. Dit laatste is natuurlijk herhaaldelijk geprobeerd, omdat velen een verlangen naar een dergelijk beeld hadden. En waar dan de gegevens ontbraken, zette men de fantasie aan het werken zo ontstonden verschillende zeer gedetailleerde beschrijvingen van de geheime erediensten en vooral van de inwijdingsriten. Daarnaast leverden verschillende "helderzienden" ook inwijdingsverhalen, die natuurlijk voor de in hen gelovende grote waarde hadden, maar voor anderen niet anders dan min of meer waarschijnlijke mogelijkheden waren. Het steeds verder gaande detail onderzoek heeft intussen aangetoond, dat de bijzonderheden in verschillende beschrijvingen vaak iedere redelijke grond missen. In hetgeen hieronder onder de mysteriën gezegd zal worden is dan ook alleen getracht om aan de hand van het controleerbare materiaal tot gevolgtrekkingen te komen, die de toets der kritiek kunnen doorstaan.



bron: De mysteriën der oudheid en hun inwijdingsriten F.E. Farwerck, uitg. Thule 1960
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 19 sep 2013, 22:11

Mysteriën Der Oudheid, Overeenkomsten


Wanneer wij aan de hand van de beschikbare gegevens ons een beeld trachtte te vormen van de mysteriën in de verschillende landen --- en dit geldt dan hoofdzakelijk voor de inwijdingsmysteriën, omdat deze het meest vergelijkbare materiaal bieden --- dan valt het op, dat zij onderling grote overeenkomsten vertonen, zowel wat de overgebleven ceremoniën als de tot ons gekomen mythen betreft. Ditzelfde hadden de ouden ook reeds vastgesteld. Wel kenden zij de mysteriën in vreemde landen in de regel niet al te best, maar daar tegenover stond, dat zij de inheemse veel vollediger kenden dan wij en dus ook eerder konden vaststellen, of een buitenlands gegeven in hun eigen riten eveneens voorkwam.

Afbeelding

De Grieken zullen natuurlijk in de eerste plaats de overeenkomsten tussen de verschillende in Griekenland bestaande mysteriën hebben kunnen vaststellen, daarbij gesteund door het feit, dat het veelal de gewoonte was, zich in verschillende mysteriën te laten inwijden. Maar toch hadden reeds vroeg degenen onder hen, wier zoekende geest op het buitenland gericht was, vastgesteld, dat ook mysteriediensten in andere landen overeenkomsten vertoonden met de Griekse. Reeds Herodotos zag in de Egyptische mysteriegod Osiris overeenkomsten met de Griekse Dionysos, vermoedelijk in hoofdzaak op grond van beider mythen, die spreken van verscheuren van hun lichamen, het aaneenvoegen der delen en hun wederopstanding. Ook de vierhonderd jaren na hem levende Diodoros heeft dezelfde mening, hoewel hij niet zo positief is. Hij zegt nl., dat de geheime wijdingen van Osiris dezelfde zouden zijn als die van Dionysos en dat ook de mysteriën van Isis op die van Demeter zouden gelijken.

In andere landen vonden de oude schrijvers eveneens mysteriën die met die der Grieken zouden overeenkomen. Zo deelt Strabon mede, dat op het eiland der Gallische Samnieten, dat aan de monding van de Liger (Loire) in de oceaan lag, alleen vrouwen mochten komen. Deze waren door Dionysos geïnspireerd en vereerden de god "door mysteriën en andere ongewone handelingen". Blijkbaar zag hij dus overeenkomst tussen de Dioysische mysteriën en de gewijde handelingen van deze Samnietische vrouwen. Maar hij zag nog andere overeenkomsten, waar hij vervolgt, Artemidoros aanhalende, dat bij Brittannië een eiland zou liggen, waar de voor Demeter en Persephone op Samothrake gebruikelijke offerfeesten werden gevierd. Ook Diodoros zegt iets in deze geest, waar hij beweert, dat de Kelten, die aan de oceaan woonden, van alle goden de Dioskuren (die vaak met de Samothrakische goden vereenzelvigd werden) het meest vereerden.

Veelal horen wij ook, dat de goden en riten bij de verschillende volken eigenlijk in wezen één zouden zijn en Ploutarchos drukt dit wel zeer duidelijk uit met de woorden: "Evenals de zon en de maan, de aarde en de hemel dezelfde blijven en alleen door de verschillende volkeren verschillend worden aangeduid, zo is het ook het geval met de enige Rede (Logos), die het heelal ordent, met de voorzienigheid, ook slechts één, die het bestuurt, en met de machten, bestemd om alles te regelen; al deze zijn voorwerpen van vereerring en van naamgeving, die, naar gelang de verschillende gebruiken veranderden. Deze verschillende namen en riten dienen als zinnebeelden, de ene duister, de ander schitterend, voor degenen, die zich aan studiën wijden, en zij leiden hen, niet altijd zonder gevaar, voor het begrip goddelijke zaken".

Afbeelding

Deze woorden van Ploutarchos zijn zeer opmerkelijk. niet alleen zegt hij hier duidelijk, dat alle uiterlijke vormen, namen en riten slechts zinnebeelden zijn om geestelijke waarden uit te drukken en dat ieder volk dit op zijn eigen wijze doet, hetgeen ook een verscheidenheid van uiterlijke vormen voor dezelfde begrippen betekent, maar hij wijst er ook op, dat het menselijk onvermogen om geestelijke begrippen in uiterlijke vorm te kleden, tot misverstand omtrent deze begrippen leidt. Voor zijn tijd vertelde Ploutarchos echter, naar het schijnt, niet veel nieuws, want in een lied, dat over de grote mysteriën handelt en in de Griekse schouwburgen bij gelegenheid der erediensten gezongen werd, wordt Attis, de Phrygische mysteriegod, met allerlei anderen goden vereenzelvigd. (zie forum) Ook bij Apuleius vinden wij iets dergelijks. Hij noemt de godin in wier mysteriën hij is ingewijd, Ceres of Venus of Proserpina (zie forum) en laat het aan haar over, onder welke naam, met welke gebruiken en in welke gestalte haar de aanroepingen het welgevalligst zijn. Vervolgens laat hij de godin zeggen, dat in haar de gestalten van alle goden en godinnen verenigd zijn, om dan een hele reeks namen op te noemen, waaronder zij, al naar gelang de gebruiken, bekend is (Minerva, Moedergodin, Venus, Diana, Proserpina, Ceres, Juno, Bellona, Hekate, Rhamnusia. Maar haar ware naam is Isis, wat begrijpelijk is want Apuleius is tenslotte ingewijd in de Isismysteriën).
In dezelfde geest spreekt ook de iets later levende Diodoros waar hij schrijft: "Over het algemeen bestaat er veel verschil in de opvattingen omtrent deze goden. Een en dezelfde godin noemen de enen Isis, anderen Demeter, anderen Thesmophoros (wetgeefster), anderen Selene (godin der maan), anderen Hera en weder anderen met al deze namen tegelijk. Zo ook één en dezelfde god de enen Osiris, de anderen Serapis, anderen Dionysos, anderen Plouton, weer anderen Ammon, sommigen Zeus en velen Pan".

De ouden beschikten, zoals gezegd, natuurlijk niet over het feitenmateriaal, dat ons over uitgestrekte gebieden ten dienste staat, en hun pogingen een land van oorsprong der mysteriën vast te stellen, beperkte zich dan ook in hoofdzaak tot de hypothese, dat ze eens in Egypte waren ontstaan. Over de wijze van ontstaan in dat land hebben ons geen Griekse theorieën bereikt en ook uit andere gegevens, bijv. bij de theorie over het ontstaan der lettertekens, blijkt, dat men zich niet zo zeer bekommerde over de vraag: "hoe is iets ontstaan?" dan wel over die: "waar komt het vandaan?" Vermoedelijk meende men daardoor van de veel moeilijker vraag over de wijze van ontstaan af te zijn, zich niet realiserende, dat door het vaststellen van een buitenlandse afkomst men alleen een verschuiving verkreeg van de moeilijke vraag over het ontstaan.

Afbeelding

In het algemeen werd dus verondersteld, dat de mysteriën uit Egypte kwamen. Deze opvatting is ten onzent bij de renaissance overgenomen en nog tegenwoordig zijn er velen, die de Egyptische theorie aanhangen. Hoewel er geen enkele doorslaggevende reden bestaat om dit aan te nemen. In het bijzonder geldt dit voor de inwijdingsmysteriën, want de gegevens daaromtrent uit het oude Egypte zijn op zijn minst genomen zeer twijfelachtig. Naast de Egyptische theorie kende men in Griekenland echter ook nog andere, die meestal op bepaalde mysteriën betrekking hadden. Zo werd bijv., zoals wij bij het behandelen van de Dionysische mysteriën nog nader zullen zien, deze eredienst dikwijls als uit Thrakië afkomstig worden beschouwd, hetgeen ook juist blijkt te zijn. Maar verder werd ook Klein-Azië als land van oorsprong aangewezen, doch dit was vermoedelijk in hoofdzaak door het feit, dat ook daar, van Thrakië uit, de Dionysische eredienst was doorgedrongen.

Bij de algemene aanvaarding, dat de mysteriën van elders kwamen, paste ook de theorie, dat iemand ze dus moest hebben overgebracht. Verschillende namen worden in dit verband genoemd en daarbij neemt die van Orpheus de voornaamste plaats in. Diodoros, die voor alles een zo eenvoudig mogelijke verklaring zoekt beweert, dat Orpheus naar Egypte zou zijn gekomen en daar in de Dionysische mysteriën zou zijn ingewijd (zie forum). Vermoedelijk bedoelde hij daarmee de in zijn tijd bestaande inwijdingsmysteriën, waaraan de naam Osiris verbonden was, en nam hij aan, dat de Osiris-mythe, die overeenkomsten met die van Dionysos vertoonde, daarmee samenhing. Dat hij deze Osirismysteriën de Dionysische noemde, was het gevolg van het Griekse gebruik om goden van vreemde volken namen van hun eigen goden te geven, die daar enige overeenkomst mee vertoonden, een gebruik, dat wij eveneens bij de Romeinen aantreffen. Diodoros verhaalt dan verder, dat Orpheus, omdat hij een vriend van de bewoners van de burcht Kadmeia bij Thebe was, de geboorte mythe van Dionysos naar Griekenland had verplaatst. Volgens hem zou Orpheus niet alleen de Dionysosmysteriën hebben meegebracht (zie forum), maar ook "de mysteriegebruiken en geheime feesten en dwaaltochten van Demeter", dat wil dus zeggen: de Eleusinische mysteriën. Dit is echter in strijd met de Demeter-hymne, die deze godin als brengster der Eleusinische mysteriën noemt. Een tweede legendarische overbrenger der mysteriën was Erechteus. Volgens Diodoros, die verschillende theorieën blijkbaar even aannemelijk achtte, was deze koning der Atheners van Egyptische geboorte. Toen eens de gehele wereld ten gevolge van een langdurige droogte onder hongersnood leed, beschikte alleen Egypte over voldoende veldvruchten. Erechteus zou er toen, in verband met zijn Egyptische afkomst, in geslaagd zijn een voorraad graan naar Athene te brengen en voor deze weldaad hadden de Atheners hem tot koning gemaakt. Nadat hij deze waardigheid had aanvaard, zou hij de wijdingen van Demeter te Eleusis hebben onderwezen en de mysteriën hebben ingevoerd, die hij uit Egypte had overgenomen.

Afbeelding
Athena, Erechtheus en de olijfboom, Parthenon.

Een derde brenger van de mysteriën, die zowel door Diodoros als door Herodotos genoemd wordt is Melampous, een in de Griekse mythologie bekende arts en ziener. Volgens Diodoros zou hij "de dienst van van Dionysos, zoals de Grieken die vieren, uit Egypte hebben meegebracht" en vermoedelijk heeft deze schrijver dit aan Herodotos ontleent, die hierover reeds uitvoerig mededeling had gedaan. Volgens hem was reeds "Melampous, de zoon van Amythaon, niet onbekend met deze dienst (dwz. de dienst van Dionysos), maar er goed van op de hoogte. Immers hij is het, die bij de Hellenen de dienst van Dionysos en de optocht met de phallos heeft ingevoerd. Weliswaar heeft hij, streng genomen, niet de gehele leer in haar samenhang volledig voorgelegd, maar de wijzen, die na hem kwamen (zoals Herodotos elders zegt: de Orphici), hebben dit in ruimere zin gedaan. De phallos echter, die ter ere van Dionysos in plechtige ommetochten wordt rondgedragen, heeft Melampous in ieder geval ingevoerd en van hem hebben de Hellenen geleerd, wat zij daarbij doen. Ik beweer nu, dat Melampous een groot man was en de kunst van voorspellen had geleerd, dat hij uit Egypte niet alleen veel andere dingen, die hij daar geleerd had, bij de Hellenen heeft ingevoerd, maar ook de eredienst van Dionysos met slechts geringe wijzigingen". Voor de invoering van de Eleusinische mysteriën wordt voorts Eumolpos genoemd (zie forum).
Volgens Diogenes Laertios zou deze de stamvader geweest zijn van de Eumolpieden, een der Eleusinische geslachten, waaruit later de voornaamste functionarissen van de eredienst voortkwamen.

Naast de hier genoemden horen wij ook nog van verschillende anderen, aan wie Griekenland de invoering der mysteriën te danken zou hebben gehad en daaronder zijn oa. Kadmos, Inachos, Trophonios en Pythagoras. De eerste drie daarvan zijn mythologische figuren en ook Pythagoras is dit min of meer geworden. De bewijzen voor deze theorieën zijn echter even zwak als voor de hierboven genoemde en zij zijn kennelijk alleen ontsproten aan de fantasie der berichtgevers, die hoofdzakelijk zijn afgegaan op de besproken overeenkomsten en toen een ogenschijnlijk aanvaardbaar verhaal hebben gedicht over de invoering der mysteriën in hun land.
Een geheel ander beschouwing laat Strabon horen als hij zegt, dat de Hellenenen met Dionysos, Apollon, Hekate, de muzenen vooral ook met Demeter allerlei orgiastische feesten, bakchische extase, reidansen en het geheimzinnige der inwijdingsriten verbonden hadden. Het is niet duidelijk of hij hiermee wil zeggen, dat dit vreemde gebruiken waren, die men aan de Griekse goden gehecht had, dan wel, dat men de gebruiken zelf in het leven geroepen had.

Afbeelding
Eyes Wide Shut

Ook de latere kerkvaders hebben zich, in navolging van hun heidense voorgangers, met de afkomst der mysteriën bezig gehouden en zij volgen daarbij gedeeltelijk deze oude schrijvers. Zo neemt ook Lucius Coelius Firmans Lactantius, die in de vierde eeuw leefde, aan, dat Orpheus de eerste was, die de riten van Vader Liber (Dionysos) in Griekenland bracht en dat hij ze het eerst in Boiotia, dicht bij Thebe vervulde, waar Liber geboren was (zie forum). Hij laat hier echter in het midden of Orpheus ze aan Egypte ontleent had. Bij Clemens van Alexandrië lezen wij (zie forum), dat Dardanos of Melampous de mysteriën in Eleusis zou hebben ingevoerd en dat Midas de Phrygische mysteriën zou hebben gesticht. Kyrillos van Alexandrië, die in 412 patriarch van deze stad was en die mede als oorzaak wordt beschouwd, dat het christelijk gepeupel de heidense filosofe Hypathia vermoorde, nam aan, dat Hermes van Egypte (de Egyptische thoth) de geen was, die de Egyptenaren in de geheime der mysteriën had ingewijd, hetgeen echter in tegenspraak is met de Egyptische overlevering, die Isis noemt als degene, die de mysteriën instelde. Zo waren de meningen bij de oude over het ontstaan, resp. de invoering van de mysteriën, al speelde Egypte daarbij een grote rol, blijkbaar zeer verdeeld, maar toch heeft men hen lang nagepraat en zo zijn hun beschouwingen door velen aangegrepen om allerlei theorieën op te stellen, die door geen enkel bewijs gesteund worden.
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 19 sep 2013, 22:12

Mysteriën Der Oudheid, Oorzaken der overeenkomsten


Ter verklaring van de overeenkomsten, die tussen de mysteriën der verschillende volken bestonden, zijn een aantal redenen te noemen en tot de meest voor de hand liggende behoren de historische. Het onderzoek naar het ontstaan van de volken, zoals ons dit uit vroeg-historische tijd en gedeeltelijk ook daarvoor bekend geworden is, heeft aangetoond, dat deze in een betrekkelijk klein aantal volkerengroepen kunnen worden samengevat. Elke dezer volken is ontstaan door het uitzwermen van delen van een oervolk, die daarbij niet alleen hun uiterlijke verschijningen meebrachten, maar ook hun taal, hun rechtsbegrippen, hun mythologie en eveneens de daarmede samenhangende erediensten.

Afbeelding

Een dergelijke volkerengroep vormden de Semieten en de overeenkomsten in Babylonische, Syrische, en Klein-Aziatische mysteriën zijn voor een deel aan de gemeenschappelijke oorsprong van deze volken toe te schrijven. Hetzelfde geldt voor de volken der Indo-Germaanse volkerengemeenschap, zoals de Hindoes, de Perzen, de Trakiërs en Phrygiërs, de Grieken, de Romeinen en de Germanen die in hoofdzaak voor een vergelijkende studie hunner mysteriën in aanmerking komen. Van andere Indo-Germaanse volken, zoals van de Kelten, maar nog meer van de Lithauers, de Letten en de Slaven, is te weinig van een geheim gehouden deel van hun godsdienst overgeleverd, om veel van de mysterie-diensten, die zij hoogstwaarschijnlijk ook bezaten, te reconstrueren. Hoogstens wijzen enkele sporen erop, dat zij bestonden.

De uitzwermingen brachten de immigranten in de nieuwe gebieden met de overblijfselen der oude bevolkingen in aanraking, want in de regel bleef een deel der overwonnenen onder de heerschappij der nieuwe heersers voortleven en dit had een min of meer belangrijke overneming van het geestesgoed deze oudere bewoners ten gevolge. Wat de Semieten betreft, weten wij dit oa. uit de Bijbelse verhalen over de verovering van Kanaän, waarbij de Joden ook allerlei van de godsdienst der inheemse bevolking overnamen. Evenzeer is het bekend, dat de verschillende Indo-Germaanse stammen zich niet alleen met de onderworpenen vermengden, waardoor het zo belangrijke verschil in uiterlijk tussen de tegenwoordige Indo-Germaanse volken ontstond, maar ook, dat hun godsdienst met bestanddelen van die der overwonnen volken doortrokken werd. In hun mysterieriten zullen zij dus wel eveneens uit de erediensten, die in die landen bestonden, hebben overgenomen. Een tweede geschiedkundige factor, die de overeenkomsten in de verschillende mysteriën kan verklaren, vormen de oorlogen tussen de verschillende volken, enerzijds, omdat de overwinnaars in de tijdelijk bezetten gebieden met inheemse erediensten kennis maakten en anderzijds omdat de gemaakte gevangenen meestal als slaven in het land der overwinnaars terecht kwamen en daar hun oude godsdienstige riten bleven vervullen, waarvan dan dikwijls het één en ander werd overgenomen. Vooral als een bezetting maar lang genoeg duurde, kwam het tot uitwisseling van alles, wat mensen ook geestelijk beroerde. Wij denken daarbij oa. de Perzische bezetting van Klein-Azië, Syrië en Egypte, aan het door Alexander gestichte rijk, dat zich uitstrekte van Indië tot Griekenland en Egypte tot aan het Romeinse rijk, dat alle gebieden van Perzië tot Spanje en van Germanië tot Egypte beheerste en langdurig bezet hield. Dit is bijv. oorzaak geweest, dat verschillende buitenlandse mysteriediensten in Italië vaste voet kregen.

Afbeelding
Basilica-cisterne,ondergronds waterreservoir uit 532.

Een verdere factor vormde het vredelievende verkeer tussen de verschillende volken, dat in de oudheid veel intensiever was dan men gewoonlijk meent. Nu waren de zeelieden en kooplieden, die dit verkeer onderhielden, misschien niet de meest geëigenden om zich in de religieuze denkbeelden en eredienst vormen van andere volken te verdiepen. Romeinse schrijvers hebben echter vaak van hun mededelingen, als mede van die der even min erg betrouwbare legioensoldaten gebruik gemaakt en hetgeen zij in dit verband bijv. over de Germanen berichten, bewijst wel, dat deze bronnen zeer troebel waren. Maar naast handelsverkeer horen wij ook van tochten van ontdekkingsreizigers met een beter begrip voor de religieuze opvattingen van anderen, al bezagen zij die toch meestal door te veel door hun eigen bril. Zij legden de gekregen resultaten in hun werken vast en zij zullen zeker de aandacht van hun tijdgenoten en van de na het komende geslachten hebben gehad.

De tochten van deze ontdekkingsreizigers gingen soms naar verre streken over uitgestrekte gebieden. Zo zegt, volgens Clemens van Alexandrië Demokritos (geb. ongeveer 460 v. Chr.), die blijkbaar niet aan een overmaat van bescheidenheid leed, van zichzelf: "Dit zegt Demokritos. Ik heb over meer gebieden gezworven dan enig van mijn tijd, de verafgelegen streken onderzoekende. Ik heb de meeste hemelen en landen gezien en ik heb grote aantallen geleerde mannen gehoord. En in een samenvattende weergave heeft niemand mij overtroffen; in bewijsvoering zelfs niet diegene onder de Egyptenaren, die men arpenodapte noemt, met wie ik tachtig jaar in verbanning leefde".
Clemens voegt hier nog aan toe, dat Demokritos naar Babylonië, Perzië, en Egypte gegaan was om van de magiërs en priesters te leren. Ook Herodotos kende uit eigen aanschouwingen niet alleen de verschillende Griekse landen, met inbegrip van Klein-Azië en Zuid-Italië, maar hij had zijn reizen uitgestrekt naar het oosten tot Babylon, naar het noorden tot de landen om de zwarte zee en naar het zuiden tot Egypte. De oude ontdekkingsreizigers kwamen echter nog veel noordelijker en van Pytheas van Massilia is het bekend, dat hij omstreeks 330v. Chr. Scandinavië heeft bezocht. Zijn reisbeschrijving is verloren gegaan, maar enige brokstukken daarvan zijn ons overgeleverd in de werken van Geminos, een Griekse schrijver uit de eerste eeuw v. Chr. en in die van Plinius de oudere, de honderd jaar later levende Romeinse schrijver. Diodoros bericht ons over een contract, dat in zeer oude tijden tussen de Grieken, in het bijzonder de de bewoners van Delos, en de Hyperboreeërs had bestaan en dat deze onderling gezanten en geschenken hadden uitgewisseld. Herodotos en Pausanias schrijven eveneens over de Hyperboreeërs en de eerste spreekt daarbij ook over de uitwisseling van geschenken. Eerst werden die door gezanten gebracht en verschillende Hyperboreeërs, zoals Abaris en enige met name genoemde priesteressen, waren daarbij in Griekenland achter gebleven. Later werden de geschenken echter langs een bepaalde route door tussenkomst van met name genoemde volken, gezonden. Als reden voor dit contact werd de oude verwantschap tussen beide volken aangegeven en ook het feit, dat de Hyperboreeërs evenals de Deliërs, hoofdzakelijk Apollon vereerden.



Ook uit Indië zouden de Griekse reizigers kennis hebben meegebracht, Lykurgos, de Atheense staatsman en wijsgeer (geb. omstreeks 396 v. Chr.), Pythagoras, de Griekse wijsgeer (geb. omstreeks 582 v. Chr.) en de reeds genoemde Demokritos zouden van daar hun wijsheid gehaald hebben en Apollonios van Tyana zou er lange besprekingen met de Brahmanen hebben gehad.Zoals uit het hierboven gezegde reeds bleek, behoorde ook Egypte tot de bezochte landen en dit bezoek schijnt zelfs vrij intensief te zijn geweest. Volgens Diodoros waren reeds verschillende mythische persoonlijkheden in Egypte geweest. Hij noemt Orpheus, de zanger uit de Griekse oertijd, Mousaios, de dichter, ziener en priester, die nog voor Homeros geleefd zou hebben, Melampous, de mythische ziener en geneesheer, Homeros, de dichter, en Daidalos, de bouwmeester. Maar ook tal van historische persoonlijkheden hadden Egypte bezocht. Volgens Ploutarchos was de omstreeks 640 v. Chr. geboren filosoof en stichter van de Ionische school, Thales, in Egypte geweest en daar ingewijd in de geheimen der priesters. De omstreeks dezelfde tijd geboren Solon, had met hetzelfde doel eveneens Egypte bezocht en volgen Platon zou hij daar, zoals gezegd, van de priesters tal van bijzonderheden over het verdwenen Atlantis hebben gehoord. Ook Sokrates zou volgens hem Egypte bezocht hebben en uit zijn geschriften is op te maken, dat hij zelf eveneens in dat land geweest is. Volgens Isokrates (geb. 543 v. Chr.) had ook Pythagoras Egypte bezocht en als leerling der priesters de offer en reinigingen, die de Egyptische godsdienst voorschreef, met bijzondere zorg verricht. Van Clemens van Alexandrië horen wij zelfs dat hij zich had laten besnijden, omdat hij anders het adyton, het binnenste deel van de tempel, niet zou hebben mogen betreden. Volgens Porphyrios zou hij aanvankelijk door de priesters van Heliopolis en memphis zijn afgewezen en pas later in Diospolis (Thebe) toegang tot de geheime diensten hebben gekregen. Ook verschillende christelijke schrijvers bevestigen, dat Pythagoras in Egypte zou zijn geweest, hoewel dit wel een napraten van oudere schrijvers zal zijn geweest. Alleen bij Clemens van Alexandrië horen wij de bijzonderheid, dat hij "de mystieke filosofie"van de hoge priesters Sonchis zou hebben geleerd en in tegenspraak met Porphyrios zegt deze kerkvader, dat ook de hogepriester van Heliopolis, Sechnuphis, de leermeester van Pythagoras was geweest.

Afbeelding
Afbeelding
Obelisk van de tempel van Heliopolis onder Seti I. naar Rome gebracht rond 10 v. Chr.

Ploutarchos voegt daar dan nog een derde aan toe, de hogepriester Chonuphis van Thebe. Volgens Strabon zou hij tezamen met Eudoxos van knidos, de sterrenkundige en wijsgeer (omstreeks 408 tot 355 v. Chr.) in Heliopos zijn geweest. Eudoxos was voorzien van een aanbevelingsbrief van de Atheense koning Agesilaos aan de Egyptische koning Nakhnebev, die overigens uit de Egyptische geschiedenis niet bekend is. Hij bleef daar zestien maanden met kaal geschoren schedel en afgeschoren baard in het gezelschap der priesters,leefde hun leven en bestudeerde hun leer. Na zijn terugkomst in Griekenland schreef hij het boek "over de goden". Strabon deelt van zichzelf mede, dat hij Egypte bezocht en verder horen wij dan nog van een groot aantal meer of minder bekende Grieken, dat zij er heen reisden om hun kennis te vergroten.
Alkaidos (Strabon, I, 37); Archimedes (Diodoros, V. 270; Anaxagoras (Ammaniasnus Marchellinus, XXII, 16, 22); Chrysippos van Knidos (Diogenes Laertios VII, 7, 10)

Afbeelding
Ramses / Ramesses II in Heliopolis

Terwijl men er in het algemeen van op de hoogte is, dat de Grieken in de oudheid vele en grote reizen maakten, is dit van andere volken minder bekend. Een der redenen daarvan is, dat wij daarover weinig schriftelijke berichten bezitten, die, zo zij al tot ons gekomen zijn, hoofdzakelijk uit vage aanduidingen bestaan. Voor een deel weten wij er van door archeologische vondsten en uit het vinden van Egyptische kralen in Engeland, van waaruit dan misschien de in Drenthe in een grafheuvel gevonden kralen afkomstig zijn, heeft men afgeleid, dat de Phoeniciërs ze op één van hun handelstochten daarheen hebben gebracht.
Tot de bekende Phoenicische reisverhalen behoort dat van de tocht, die zij in opdracht van de Egyptische koning Necho, dus omstreeks het begin der zesde eeuw v. Chr. om de Kaap de Goede hoop volbrachten. Dit verslag werd door de oude schrijvers voor een bedrog gehouden, oa. op grond van de "leugenachtige bewering" dat, de zeevaarders de zon in het noorden hadden zien staan. Voor ons is dit het bewijs, dat zij inderdaad ten zuiden van de evenaar zijn geweest.
Wat de tochten van de Egyptenaren naar vreemde landen betreft, hebben wij daarover enige mededelingen, die weliswaar soms wat fantastisch getint zijn, maar ons toch een inzicht geven over reizen, die blijkbaar door hen zijn gemaakt. Zo hebben wij een bericht uit ongeveer 2000 v. Chr. van Sunahit, een politieke vluchteling, die bij de bedoeïen stam asiel gevonden had. Hij trof daar verschillende andere Egyptische bannelingen aan, huwde de dochter van het stamhoofd en werd diens legeraanvoerder. Maar veel bijzonders vernemen wij van hem niet en hij werd tenslotte weer in genade door de Egyptische koning aangenomen. Verder hebben wij het bericht van een reis, die ons onder de titel "De reis van een Egyptenaar" is overgeleverd. Het is helaas zeer fragmentarisch en moeilijk te lezen, maar het geeft toch inlichtingen over Byblos, dat, "de stad der godin" genoemd word, over Tyros, waar de vissen zo talrijk zijn als het zand der zee, en over Jaffa. Uit de elfde eeuw v. Chr. hebben wij een verslag van een reis naar Phoenicië van een eenvoudige Egyptische handelsman, een zekere Anumunu, die daarheen trok om voor de scheepsbouw geschikt hout te kopen. Hij geeft daarin allerlei bijzonderheden over zijn onderhandelingen en over de behandeling, die hij van de zijde der verschillende vorsten ondervond.

Ook Europa werd door de Egyptenaren bezocht. Van Strabon horen wij, dat de Egyptenaar Sesostris en de Ethiopiër Tearkon tot Europa waren doorgedrongen en hij noemt daarbij ook enige wereldreizigers van andere volken. Zo zou Nabokodrosoros, die bij de Chaldeeërs nog beroemder was dan Herakles bij de Grieken, zelfs tot "de zuilen van Hercules" doorgedrongen zijn. (Het meest bekend zijn de zuilen van Hercules, die bij de straat van Gibraltar zouden staan, maar naar het schijnt, kende men ook nog een tweede paar, dat in het noorden van Europa gelokaliseerd was (Hesiodos, Theogonie, 746 e.v.; Apollodoros, II 5,11).Tot hier zou ook Tearkon zijn gekomen, die dan zijn leger over Iberië naar Thrakië en de Pontos geleid zou hebben, wat vrij ongeloofwaardig klinkt.

Afbeelding
Sluitsteen met driehoekig fronton; Wapen van Karel V. Op het wapen een dubbele adelaar . Erboven Keizerskroon. Ter weerszijden 2 kolommen, de zuilen van Hercules.

Behalve deze weinige mededelingen over door Egyptenaren gemaakte verre reizen, waar nog die van een zekere Wen-amen, die wij later bij het behandelen der Egyptische mysteriën zullen bespreken, aan toegevoegd kan worden, zullen er nog wel vele andere gemaakt zijn, waarover geen verslag werd opgesteld of waarvan het verslag verloren is gegaan. Wij mogen dan ook aannemen, dat de Egyptenaren een vrij juist beeld bezaten van de toestanden en opvattingen niet alleen in Voor-Azië maar ook op Kreta en in Griekenland en dus ook van de daar bestaande godsdiensten en erediensten. Gezantschappen, die staatsaangelegenheden met de regeringen van andere volken behandelen, zullen over deze volken ook veel gegevens op religieus gebied hebben verzameld en uit de vondst te EL Amarna in Egypte is gebleken, dat er ten tijde van Amenophis III en van zijn zoon Ichnaton een uitgebreide diplomatieke briefwisseling heeft bestaan met de vorsten van de Babyloniërs, Assyriërs, Mitanni en Hethieten en tevens met verschillende Syrische stadskoningen. Daarbij zijn ook uitvoerige uiteenzettingen over de Voor-Azieatische godsdiensten gevonden, zodat Egypte ook op deze wijze daar mee op de hoogte is gekomen.
Van Strabon hebben wij nog een op zichzelf staand bericht dat de Skythiër Idanthyros Azië (d.w.z. Klein-Azië) tot Egypte zou zijn doorgetrokken. Ook van Skythiërs, die Griekenland bezochten, horen wij verschillende malen. Wij mogen als zeker aannemen, dat door dergelijke reizen ook een uitwisseling van godsdienstige opvattingen en eredienstriten plaats had en zo zullen de mysteriën van de verschillende volken hierdoor niet on-beïnvloed gebleven zijn.
Gebruikersavatar
combi
Administrator
Administrator
Berichten: 15995
Lid geworden op: za 21 aug 2010, 21:27

do 19 sep 2013, 22:13

Mysteriën Der Oudheid, Het gemeenschappelijke doel 1


De in het vorige artikel beschreven redenen voor het overnemen van vreemde erediensten waren het gevolg van uiterlijke omstandigheden, die verband hielden met het contact met vreemde volken. Wij zien daarbij twee verschillende wijze van ontlening: een buitenlands eredienst stelsel wordt in zijn geheel overgenomen of er worden enkele onderdelen aan ontleend, die in de eigen erediensten worden opgenomen. Het eerste zien wij bijv. met de erediensten van Dionysos en Attis of met de inwijdingsriten van Mithras gebeuren, het laatste bij het opnemen van Dionysische elementen in de Eleusinische mysteriën.

Afbeelding

Dat erediensten bij een langdurig en nauw contact tussen verschillende volken in hun geheel over en weer overgenomen werden, is begrijpelijk. De hoofdlaanleiding zal in de regel het fascinerende geweest zijn, dat de vreemde erediensten uitoefende; men liet zich daarin opnemen en thuisgekomen voerde men hem, vermoedelijk met eveneens teruggekeerde gelijkgezinden in het vaderland in. Voor het overnemen van bepaalde onderdelen van een vreemde eredienst in de eigen riten is echter meer nodig. Dit eist een zekere graad van verwantschap tussen de beide erediensten, waardoor de ingelaste delen in de eigen ceremoniën konden passen.
Nu blijkt er inderdaad een verwantschap tussen de verschillende mysterieriten en wel inzonderheid tussen de inwijdingsriten daarvan te hebben bestaan. De oorzaak hiervan zal allereerst daarin gezocht moeten worden dat de godsdiensten en ook de daarmee samenhangende mysteriën der verschillende volken die zich bezig hielden met een onderwerp, dat alle mensen op min of meer gelijke wijze beroerde, met het gevolg, dat zij er overal uiting aan gaven in vormen, die een grote overeenkomst vertoonde, al waren er natuurlijk ook verschillen. Dit onderwerp was het grote vraagstuk van het leven, van het voortleven van de mens na zijn overlijden en van het uit de dood voortkomende nieuwe leven, nl. het lot, dat de mensen zowel tijdens hun leven als na hun dood in het verschillende, maar ook dikwijls overeenkomstige wijze gedachte hiernamaals zouden hebben. Dit "leven na de dood" nam in de beschouwing der Ouden een belangrijke plaats in en wij kunnen wel zeggen, dat tal van openbare en de meeste min of meer geheime religieuze handelingen er verband mee hielden. In hoge mate was dit natuurlijk het geval met begrafenisriten, want hier ging het erom voor de dode op ceremoniële wijze een waarborg te scheppen, dat hij na zijn sterven de eeuwige zaligheid zou genieten in plaats van in de onderwereld, die bij alle volken als een somber verblijf werd voorgesteld, te moeten blijven.

Bij de Grieken geloofde men reeds in de tijd van Homeros in de mogelijkheid van een eeuwige gelukzaligheid, maar deze was uitzondering, want alleen van tijd tot tijd stonden de goden toe, dat een mens aan de Hades ontsnapte. Zo iemand werd meestal tijdens zijn leven naar "het eiland der zaligen" gebracht, dat wel niet onder de aarde, maar toch ver van de wereld der levenden lag. Dit was oa. het lot van Menelaos volgens de profetie in de Odyssee en op deze mogelijkheid wijst ook de belofte van Kalypso, die aan Odysseus onsterfelijkheid wilde verlenen, als hij bij haar bleef.

Afbeelding
Sounion, De plaats waar Menelaos zijn helmsman begroef tijdens zijn terugtocht van Troy.

Maar, zoals uit verschillende gegevens blijkt, meende de mensen in de oudheid ook, dat zij zich tijdens hun leven zelf de voorwaarden konden scheppen voor een begerenswaardige toekomst, die dan enerzijds bestond in een eeuwige gelukzaligheid in het hiernamaals en anderzijds in een gelukkig leven hier op aarde. Het laatste betekende in de eerste plaats een rijke oogst en vruchtbaarheid van het vee, want misoogsten en honger waren verschrikkingen, waartegen men in de oudheid vrijwel geen maatregelen kon nemen. Wij zien dan ook, dat tal van godsdienstige riten er op gericht zijn om vruchtbaarheid te verzekeren en ook deze behoren tot het complex der ceremoniën, dat zich richt op "het leven"en hier wel in het bijzonder op het nieuwe leven, dat uit de dood, dwz. uit de tijdelijke onvruchtbare aarde voortkomt. Er zijn echter ook aanwijzingen, dat men dit aardse geluk ook zag in het feit, dat de ingewijde, als gevolg van hetgeen hij doorleeft had, tot een andere houding gekomen was ten aanzien van de hem omringende wereld. Hij was een nieuw mens geworden, was herboren en herhaaldelijk lezen wij dan ook, dat de inwijding als een "nieuwe geboorte" werd beschouwd. dit blijkt bijv. uit de woorden van Apuleius, die de inwijdende priester laat zeggen, dat Isis de kandidaten, die op de drempel van de dood staan, terugroept en ze als het ware wedergeboren op een nieuwe loopbaan van het heil voert. Dit is geen verlening van onsterfelijkheid, maar in de mens sterven het oude leven en de oude doelstellingen, waarnaar hij streefde, en hij begint een nieuw leven met nieuwe doelstellingen. Sallustius wijst er op, dat bij de riten van de eredienst van Attis de deelnemers als nieuwgeborenen melkvoeding kregen (de riten van het voorjaarsfeest van Attis) en degene, die in de Mihras-mysteriën de bloeddoop doormaakten, werden van de hun aanklevende bezoedelingen ontdaan en begonnen een nieuw leven. Daarom noemen zij deze dag ook hun "geboortedag" en verschillende inscripties maken daarvan meldingen.

Terwijl moderne Christenen worden gedoopt in het bloed van het Lam, ondergingen de ingewijden van Mihras de doop met het verse bloed van de stier. Gekleed in een wit gewaad bevonden zij zich in een kuil, door een raster afgedekt, waarboven de stier de keel werd doorgesneden. Het warme bloed gutste naar beneden en doordrenkte het gewaad van de myste, die door de bloeddoop de geestkracht van het doorgestoken sterrenbeeld van de Stier mocht opnemen. Evenzo werd de Christen ondergedompeld in het bloed van de astrologische Ram om daarna te verrijzen in het Vissenteken van de Christus.

Wat het leven na de dood betreft, noemden wij reeds de begrafenisriten, die voor het eeuwige heil der doden werden vervuld. daarnaast waren het in het bijzonder de inwijdingsriten der mysteriën, die de mensen, naast een gelukkig leven, gelukzaligheid na de dood konden verschaffen. Men zou bijna zeggen, dat geleidelijke de mening postvatte, dat, gezien het feit, dat de goden hier slechts bij uitzondering voor zorgden, de mensen deze zaak zelf in handen genomen hadden en dat men nu trachtte het doel met inwijdingsriten te bereiken.

Afbeelding
Mithras tempel Halberg,Saarbrücken

Dat streven schijnt bij alle oude volken bestaan te hebben en hierin hebben wij waarschijnlijk de voornaamste reden te zoeken, dat de met dit doel ingestelde riten, althans wat de hoofdlijnen betreft, zoveel overeenkomsten vertonen. Het is de Demeter-hymne, welke ons de eerste aanwijzing in deze richting geeft, want daarin lezen wij althans in verband met de Eleusinische mysteriën:
Zalig, die deze aanschouwd heeft van de op aarde wonende mensen!
Wie aan de handelingen echter, de heilige, deelnam, een ander lot heeft hij in het duister, dat de dood omnevelt.
De hymne spreekt nog alleen over een ander lot, zonder nadrukkelijk de eeuwige gelukzaligheid te noemen, maar iets duidelijker worden dan de grote schrijvers van toneelstukken, Sophokles, Euripides en Aristophanes. Sophokles, die in het begin der vijfde eeuw v. Chr. leefde, zegt in een overgeleverd fragment:
"O driewerf gelukzalig die van de stervelingen, welke na de mysteriën volbracht te hebben, in het verblijf van Hades afdalen; want zij alleen zullen het leven hier beneden vinden; voor de anderen zal het slechts lijden zijn".
Euripides noemt de man , die in de mysteriën was ingewijd "gelukzalig", zonder hier nader op in te gaan, maar de blijspel dichter Aristopanes (tussen 455 en 380 v. Chr.), hoewel zelf niet ingewijd, maakt in zijn "kikvorsen" een toespeling op het verband tussen ingewijd zijn en de gelukzaligheid na de dood, als hij de ingewijde Herakles de weg laat beschrijven, die Dionysos in de onderwereld volgen moet.
Eerst komt een groot en diep meer, dan slangen en vreselijke monsters en dan aan de ene kant een modderpoel, waarin de misdadigers verblijf houden en aan de andere zijde een mirtenbos, waarin de ingewijden, beschenen door een schoon licht, dansen en zingen op de muziek van fluiten.

Afbeelding

Op de gelukzaligheid wijst ook een inscriptie met betrekking tot Alkmeonis, een priesteres uit Miletus, waarin melding gemaakt wordt van de voorrechten, die zij in het hiernamaals zal genieten, omdat zij Dionysos goed gediend heeft: zij heeft de bakchanten in de bergen gevoerd, de orgiën geleid en de heilige voorwerpen gedragen. Zij was dus zelf een ingewijde en de voorrechten waar zij aanspraak op kon maken, dat zij vermoedelijk in de eerste plaats daaraan te danken.
De ten tijde van Platon levende redenaar Isokrates laat zich betrekkelijk vaag uit, als hij zegt, dat de inwijding in de mysteriën van Eleusis meer vertrouwen geeft, zowel wat het levenseinde als het toekomstige leven betreft, maar Platon is duidelijker. In zijn Phaidon laat hij Sokrates zeggen:
"het komt er duidelijk op neer, dat degenen, die de mysteriën instelden, geen verachtelijke lieden waren, maar inderdaad reeds lang door beelden aanduiden, dat wie ongewijd en ongeheiligd in de hades komt, in het slijk moet liggen, de gereinigde en geheiligde echter, als hij daar komt, met de goeden zal leven".
Ook elders in zijn Phaidon laat hij zich in dezelfde geest uit. (...... "dan gaat zij (de ziel) in het op haar gelijkende in, in het onzichtbare, in het goddelijke, in het onsterfelijke en redelijke, waar het haar bij haar aankomst ten deel valt gelukzalig te zijn, doordat zij van de dwaalweg van het onverstand en angsten en niet te breidelen lusten bevrijd is en, zoals van de ingewijden gezegd wordt, in waarheid de verdere tijd met de Goden doorbrengt." Platon heeft het hier over degenen, die de weg der wijsbegeerte gevolgd hebben. Maar hij ziet de overeenkomsten met de ingewijden der mysteriën.)
Olympiodoros, een commentator van Platon, onderstreept dit nog eens. ( "het doel der inwijding was de zielen te laten opstijgen naar dat punt, vanwaar hun eerste nederdaling in de aanvang begonnen was ... . Hij die niet ingewijd is, ver zan zijn eigenlijke doel blijvend, wordt in het slijk geworpen, hetzij in dit leven, hetzij nog in meerdermate in het andere (leven), dwz. in de droesem van hetgeen onderworpen is aan de voortbrenging, in Tartaros zelf ...".)
Wij krijgen dan weer de periode, dat weinig of niets over de mysteriën gezegd wordt, maar daarna horen wij van Ploutarchos weer dezelfde klanken. In een geschrift "Hoe de poëzie te bestuderen is" zegt hij:
"Driewerf gelukzalig de stervelingen, die deze mysteriën aanschouwd hebben voor hun tocht naar de Hades; alleen aan hen is het geoorloofd het leven de genieten".
Ook in zijn troost aan zijn vrouw bij het verliezen van een kind, wijst hij er op, dat de mysteriën troost schenken voor het leven in het hiernamaals. De in 117 of 128 geboren redenaar Aristeides, van wie een rede vol lof over de mysteriën is overgeleverd, zegt, dat ingewijden niet alleen troost vonden voor het verdere leven, maar eveneens het voordeel hadden, na hun dood in een gelukzalige toestand te komen. Het wordt hier dus wel zeer duidelijk uitgedrukt, dat de inwijding zowel het leven hier op aarde veranderde, als een gelukkiger leven voor de afgestorvenen betekende.

Afbeelding
Eleusis de Mysterie School van Demeter, de Moedergodin en Persephone, Goden van de onderwereld.

De neoplatonist Plotinos (van 204 tot 270), die uit onbekende ouders in Lycopolis in Egypte geboren was, had uiteraard Platon bestudeerd en sloot zich bij de geciteerde woorden van deze wijsgeer aan, zeggende:
"Daarom onderwijzen de ingewijden geheimzinnig, dat hij, die niet gereinigd is (een handeling, waarmee de inwijding begon) in de diepten van de Hades in de modder verblijf houdt".
Ook Proklos, de neoplatonische wijsgeer uit de vijfde eeuw spreekt in dezelfde geest:
"De heilige ceremoniën van Eleusis veroorloven de ingewijden zich in de weldaden van Kore (= Persephone, de goden der onderwereld) te verheugen, als zij van hun lichamen bevrijd zijn".
In de zelfde tijd, dus als het heidendom ten onder gaat, dankt Paulina de vrouw van de senator Vettius Agorus Praetextateus, volgens de gevonden inscriptie, haar echtgenoot, dat hij haar voor het onheil van de dood behoed heeft door haar in de tempels te geleiden en haar aan de Goden te wijden, maw. haar in de goddelijke mysteriën heeft laten inwijden, om haar in staat te stellen een nieuw leven te leiden en na haar dood het geluk te vinden. In overeenstemming met het laatste is ook een gevonden inscriptie onder het beeld van een gestorven hydrophant, waarin men deze laat zegge, dat hij gelukzalig zijn weg ging op de noodlottige dag, hetgeen wil zeggen: op zijn sterfdag.

Bij de kerkvaders vinden wij enige bevestigingen van de verwachtingen ten aanzien van een gelukzalig hiernamaals, die door de mysteriën werden opgewekt. Augustinus wijst op de, in zijn ogen bestaande dwaasheid om van de mysteriën iets te verwachten, dat eeuwige gelukzaligheid zou kunnen brengen. In zijn betoog verbindt hij de eredienst van de Phrygische Kybele met de agrarische riten van deze Moedergodin, kennelijk in verband met het hierboven genoemde aardse geluk, dat men eveneens van de mysteriën verwachtte.

"Dit zijn de mysteriën van Tellus (aarde) en de Grote Moeder", zegt hij, "waarbij alles op het vergankelijke zaad en op de bedrijven van de akkerbouw betrekking heeft. Behoren daar nu dingen als pauken, torens (Kybele werd met een toren op het hoofd afgebeeld), de gecastreerden (van de Attis dienst), de onzinnige verdraaiing van ledematen (in de extatische toestand, waarin de aanhangers zich verplaatsten), het geraas van cymbels, de voorstelling van de leeuw (die aan kybele gewijd was) ? Beloven die iemand het eeuwige leven?"

Augustinus maakt hier een vergelijking met het christendom, dat volgens hem natuurlijk de enige weg tot het "eeuwige (gelukzalige) leven" kan wijzen, maar uit zijn woorden blijkt, dat de mysteriën ---- en in dit geval de Kybele-mysteriën --- er eveneens aanspraak op maakte dit te kunnen doen. Naar het schijnt hebben de heidense priesters wel eens met teveel aandrang gewezen op de gelukzaligheid, die de ingewijden zouden verwerven, en Diogenes Laertios heeft ons in verband daarmede een anekdote van Antisthenes overgeleverd. Toen deze in de Orphische mysteriën werd ingewijd en de priester zei, dat degene , die daarin opgenomen werden, in de dodenwereld zoveel vreugde wachtte, stelde de inwijdeling de vraag: "waarom sterft ge dan niet?" Uit de aangehaalde uitspraken blijkt wel duidelijk, dat men zowel in de Griekse oudheid als in de latere Romeinse tijd een samenhang zag tussen de inwijdingen en het verblijf in de dodenwereld, een verband, dat ook in de inwijdingsriten tot uiting kwam. Het middel, dat men bij de inwijdingsmysteriën gebruikte om de kandidaten de eeuwige gelukzaligheid te bezorgen is ons nl. bekend en het is van grote betekenis, dat het bij alle inwijdingsriten hetzelfde was, omdat dit de voornaamste overeenkomst is, die tussen de riten bestond. Dit middel was, dat men de kandidaat bij leven in de onderwereld liet afdalen en daaruit weder liet opstijgen. Alle schrijvers, die over de grondslagen van de inwijdingen berichte, bevestigen dit en meestal in een vorm, alsof zij geloven, dat er inderdaad een afdaling in de onderwereld plaats had.

Afbeelding
(een) Ingang naar onderwereld opgegraven in Tel Mozan, Syrië. In de put zijn talloze boten van (geofferde) dieren gevonden en in de teksten is te vinden dat hier de koning zich kon reinigen voordat hij met de geesten communiceerde.

Allereerst hebben wij hiervoor de getuigenis van de van 522 - 433 v. Chr. levende dichter Pindaros, die door Clemens van Alexandrië wordt aangehaald met de woorden:
"Maar Pindaros, sprekende over de Eleusinische mysteriën zegt: "Gezegend is hij, die deze alledaagse zaken in de onderwereld gezien heeft; hij kent zowel het einde van het leven als de goddelijke oorsprong in Zeus". Dat de kandidaat een tocht door de onderwereld maakte wordt dan voortdurend door verschillende schrijvers herhaald en duizend jaren na Pindaros lezen wij bij de van 411 - 486 levende neoplatonische wijsgeer Proklos in zijn commentaar op Planton's staat: "(Platon) bevestigt, in overeenstemming met de mystieke ceremoniën de verschillende lotgevallen van gereinigde en niet-gereinigde zielen in de Hades, hun verschillende toestanden en het zich in drieën splitsende pad van bijzondere plaatsen, waar zij zijn; en dit werd (in de mysteriën) getoond volgens de traditionele voorschriften, waarvan ieder onderdeel vol van symbolische voorstellingen is als in een drama, en met een beschrijving, die de opgaande en nedergaande weg behandelt, de tragedie van Dionysos, de misdaad der titanen (en) de drie wegen in Hades ...."
Deze vage aanduidingen, die in hoofdzaak betrekking hebben op de bij de inwijdingen plaats hebbende handelingen, zoals die in de mythe van Dionysos zijn vastgelegd, laten doorschemeren, dat het ronddolen in de onderwereld ook bij inwijdingen een rol speelde.



word vervolgd in deel 2



bron: De mysteriën der oudheid en hun inwijdingsriten F.E. Farwerck
Plaats reactie

Terug naar “Wereld Geheimen”